ECLI:NL:HR:2021:1445

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
5 oktober 2021
Zaaknummer
19/05817
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken cassatiemiddelen

De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 december 2019. Echter, er zijn geen cassatiemiddelen door de advocaat van verdachte ingediend binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijn. De procureur-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens het beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering, omdat niet is voldaan aan de verplichting tot het indienen van cassatiemiddelen.

Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering. De uitspraak is gedaan tijdens een openbare terechtzitting op 5 oktober 2021. Er zijn geen inhoudelijke middelen behandeld omdat het beroep niet ontvankelijk werd verklaard.

Deze uitspraak bevestigt het belang van het tijdig en correct indienen van cassatiemiddelen voor de ontvankelijkheid van een cassatieberoep. Zonder het voldoen aan deze procedurele vereiste kan de Hoge Raad niet inhoudelijk op het beroep ingaan.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05817
Datum5 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 december 2019, nummer 22-002755-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 oktober 2021.