ECLI:NL:HR:2021:1450

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2021
Publicatiedatum
7 oktober 2021
Zaaknummer
20/01378
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 95 WfsvArt. 5.4 Regeling Wfsv
Verwijzingen
10 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt sectorindeling detailhandel voor franchisenemer ondanks gezamenlijke loonsom

Belanghebbende exploiteert als franchisenemer een bouwmarkt en is door de Inspecteur ingedeeld in sector 17 (detailhandel) voor de premieheffing werknemersverzekeringen op grond van artikel 95 Wfsv Pro. Belanghebbende verzocht om toepassing van de concernregeling (artikel 5.4 Regeling Wfsv) waardoor zij in sector 19 (grootwinkelbedrijf) zou worden ingedeeld, omdat de gezamenlijke loonsom van franchisenemers deze sectorgrens overschrijdt.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de Inspecteur de concernregeling correct toepaste door de indeling te baseren op de sector van de werkzaamheden waarvoor het grootste loon wordt betaald binnen de groep. Het Hof vond dat de werkzaamheden van de detailhandel kenmerkend zijn voor de maatschappelijke functie van de groep, waardoor belanghebbende terecht in sector 17 is ingedeeld.

Het cassatiemiddel betoogde dat de Inspecteur en het Hof de maatschappelijke functie van het geheel onjuist hadden beoordeeld en dat de indeling op grond van de grootste gezamenlijke loonsom tot sector 19 had moeten leiden. De Hoge Raad verwierp dit middel en verwees naar een eerder arrest (nr. 20/01377) waarin soortgelijke overwegingen zijn gemaakt.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de sectorindeling van belanghebbende in sector 17. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de sectorindeling in sector 17 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01378
Datum8 oktober 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 maart 2020, nr. 18/00412, op het beroep van belanghebbende betreffende een beschikking sectorindeling voor de werknemersverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door C.E. de Jong en R.W. Smak Gregoor, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 oktober 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende exploiteert als franchisenemer een bouwmarkt. De Inspecteur heeft belanghebbende met toepassing van artikel 95 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) ingedeeld in sector 17 (Detailhandel en ambachten).
2.2
Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht haar met toepassing van artikel 5.4 van de Regeling Wfsv (hierna ook: de concernregeling) met ingang van januari 2015 in te delen in sector 19 (Grootwinkelbedrijf). De Inspecteur is er vanuit gegaan dat de concernregeling van toepassing is, maar heeft de indeling in sector 17 gehandhaafd en het verzoek afgewezen.

3.Oordeel van het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende per 1 januari 2015 ingedeeld moet worden in sector 19.
3.2.
Het Hof heeft onder meer overwogen dat de Inspecteur de hem bij de toepassing van de concernregeling toekomende beoordelingsvrijheid op redelijke wijze heeft ingevuld door te wijzen op een consistente uitvoeringspraktijk. Die praktijk houdt in dat indeling met toepassing van die regeling steeds plaatsvindt op basis van de werkzaamheden waarvoor de gezamenlijke werkgevers het grootste bedrag aan loon betalen. Een afwijking wordt alleen toegepast indien binnen een concern de grootste loonsom betrekking heeft op een hulpwerkzaamheid die niet kenmerkend is voor (de maatschappelijke functie van) de groep als geheel. Toepassing van die consistente uitvoeringspraktijk brengt mee dat belanghebbende terecht is ingedeeld in sector 17. Het is niet zo dat de werkzaamheden van de detailhandel niet kenmerkend zijn voor (de maatschappelijke functie van) de groep als geheel, aldus het Hof.

4.Beoordeling van het middel

4.1
Het middel betoogt dat de Inspecteur de concernregeling onjuist heeft toegepast. Als de Inspecteur meent dat de maatschappelijke functie van het geheel tot aansluiting in een bepaalde sector moet leiden, moet hij de werkgever (belanghebbende) indelen in de sector waaronder de werkzaamheden ressorteren voor welke door de gezamenlijke werkgevers het grootste bedrag aan premieplichtig loon wordt betaald of vermoedelijk zal worden betaald en dat leidt in dit geval tot aansluiting bij sector 19. Het Hof heeft dat miskend. Het middel betoogt voorts dat het Hof zelfstandig had moeten beoordelen of de maatschappelijke functie van het geheel noopt tot aansluiting in sector 19. De Inspecteur heeft ten aanzien van die maatschappelijke functie geen beoordelingsvrijheid. Zou de Inspecteur die vrijheid wel hebben, dan heeft hij de grenzen daarvan overschreden, omdat hij die maatschappelijke functie niet heeft beoordeeld. In beide gevallen zou de maatschappelijke functie, bezien vanuit de fictie dat de tot de eenheid behorende bedrijven één onderneming vormen, hebben geleid tot aansluiting van belanghebbende bij sector 19, aldus het middel.
4.2
Het middel dat is gericht tegen de in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof faalt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 20/01377 [2] , waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2021.