ECLI:NL:HR:2021:1477

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
8 oktober 2021
Zaaknummer
19/05548
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f1 SrArt. 240b.1 SrArt. 36f SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 6:4:20 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel en gevangenisstraf in mensenhandelzaak

In deze zaak stond de verdachte terecht voor meermalen gepleegde mensenhandel en medeplegen van vervaardiging en bezit van kinderporno. Het gerechtshof Den Haag legde hem schadevergoedingsmaatregelen op ten behoeve van meerdere slachtoffers, met vervangende hechtenis bij niet-betaling die in totaal 365 dagen bedroeg, en een gevangenisstraf.

De Hoge Raad oordeelde dat de totale duur van de vervangende hechtenis de wettelijke maximumduur van 360 dagen overschreed. Op grond van eerdere arresten werd bepaald dat gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen maximaal één jaar (360 dagen) mag duren. Daarom werd de duur van de gijzeling verminderd zodat deze aan het wettelijk maximum voldoet.

Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat de uitspraak na meer dan zestien maanden cassatieberoep werd gedaan, terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien naar twaalf jaar en zes maanden.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het ging om de duur van de vervangende hechtenis en de opgelegde gevangenisstraf, en bepaalde de nieuwe duur van gijzeling per slachtoffer. Het beroep werd voor het overige verworpen.

De uitspraak bevestigt de wettelijke grenzen aan gijzeling bij schadevergoedingsmaatregelen en benadrukt het belang van de redelijke termijn in strafprocedures.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de duur van de gijzeling tot maximaal één jaar en de gevangenisstraf tot twaalf jaar en zes maanden wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05548
Datum12 oktober 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 december 2019, nummer 22-001965-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft M.G. Cantarella, advocaat te ‘sGravenhage, een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd:
- tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast,
- tot vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf,
- tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de slachtoffers met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling kan worden toegepast, waarbij de Hoge Raad de duur van de gijzeling kan bepalen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar,
- en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de (totale) duur van de gijzeling ten onrechte op meer dan 360 dagen heeft bepaald.
2.2.
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 2], [benadeelde 1], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en [benadeelde 6] de in het arrest vermelde bedragen van respectievelijk € 87.600,00, € 10.000,00, € 2.071,72, € 42.700,00, € 10.100,00 en € 7.500,00 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 200, 23, 5, 97, 23 en 17 (in totaal 365) dagen hechtenis.
2.3
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914. Op grond van de redenen die staan vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812 geldt daarbij dat, als de duur van de vervangende hechtenis meer dan 360 dagen bedraagt, de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast moet worden bepaald op een jaar en dat in dit verband – in aanmerking genomen dat de bestreden uitspraak voor 1 januari 2020 is gewezen – onder een jaar 360 dagen moet worden verstaan. De Hoge Raad zal zelf de duur van de gijzeling aldus verminderen dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien jaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van
[benadeelde 2] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 199 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van
[benadeelde 1] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 22 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van
[benadeelde 3] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van
[benadeelde 4] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 96 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van
[benadeelde 5] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 22 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van
[benadeelde 6] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro gijzeling voor de duur van 16 dagen kan worden toegepast;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze twaalf jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 oktober 2021.