Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 oktober 2021.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 5 april 2019. In cassatie zijn echter geen cassatiemiddelen ingediend door de advocaat van de verdachte, wat een vereiste is volgens artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad heeft dit advies gevolgd en het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet is voldaan aan de verplichting om binnen de gestelde termijn schriftuur met klachten in te dienen.
Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter, samen met raadsheren Buruma en van Strien, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 12 oktober 2021.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.