ECLI:NL:HR:2021:1576

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2021
Publicatiedatum
21 oktober 2021
Zaaknummer
20/02611
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslagen omzetbelasting 2011-2013

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in hoger beroep gegaan tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en bijbehorende beschikkingen inzake heffings- en belastingrente over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 september 2013. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had de eerdere uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij meerdere middelen werden voorgesteld. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, en belanghebbende een conclusie van repliek.

De Hoge Raad heeft de middelen inhoudelijk beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Omdat de beoordeling geen vragen opriep die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering gegeven. Tevens is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Het arrest is op 22 oktober 2021 uitgesproken door de Hoge Raad, waarbij het cassatieberoep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van het gerechtshof werd bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende is ongegrond verklaard en het hofarrest bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02611
Datum22 oktober 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2020, nrs. 16/03552 tot en met 16/03554 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 15/5335 tot en met BRE 15/5337) betreffende aan belanghebbende over tijdvakken in de periode 1 januari 2011 tot en met 30 september 2013 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente respectievelijk belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2021.