ECLI:NL:HR:2021:1612

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
28 oktober 2021
Zaaknummer
21/00590
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 lid 2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Centrale Raad van Beroep inzake een geschil met de Sociale Verzekeringsbank. De Hoge Raad heeft onderzocht of het beroep tijdig was ingediend. Uit de stukken blijkt dat het beroepschrift pas op 11 februari 2021 bij de Hoge Raad is ontvangen, terwijl de termijn van zes weken na verzending van de uitspraak op 15 december 2020 op 26 januari 2021 was verstreken.

De Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief in de gelegenheid gesteld om een toelichting te geven op de overschrijding van de termijn, maar hier is geen gebruik van gemaakt. Hierdoor is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 5 november 2021 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00590
Datum5 november 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z], Marokko (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Centrale Raad van Beroep van 10 december 2020, nr. 17/7124 AOW-PV [1] .

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Centrale Raad van Beroep heeft op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 15 december 2020. Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 11 februari 2021 bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 26 januari 2021. Het is ook niet tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 21 juli 2021 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.