Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
2.Uitgangspunten en feiten
8 februari 2016 weer is gaan herleven. (rov. 6.4.5)
3.Beoordeling van het middel
Deze overwegingen zijn onjuist, aldus het onderdeel, omdat [verweerder] het feit
dat de erfdienstbaarheid als gevolg van vermenging is tenietgegaan, hetzij op de voet
van art. 3:17 BW Pro hetzij op de voet van art. 3:28 BW Pro had kunnen inschrijven in de openbare registers en hij, nu dat niet is gebeurd, dit feit aan [eiser] niet kan tegenwerpen.
Een erfdienstbaarheid is een beperkt recht waarmee het dienende erf is bezwaard. Degene die het heersend erf verkrijgt, wordt op grond van art. 3:82 BW Pro tevens rechthebbende van de erfdienstbaarheid. Voor een in dat verband gedaan beroep op art. 3:24 BW Pro is dan ook geen plaats ten aanzien van feiten die met betrekking tot het dienend erf ingeschreven waren in de registers. Daartoe behoort in deze zaak het feit dat perceel [005] in maart 1998 was geleverd aan [verweerder], door welk feit de erfdienstbaarheid was tenietgegaan.
4.Beslissing
29 oktober 2021.