Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
2 november 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake medeplegen van poging tot afpersing gedurende de voor nachtrust bestemde tijd op een openbare weg. De verdachte werd veroordeeld voor het met geweld sommeren van een voorbijganger om geld af te staan en te pinnen.
In cassatie werden klachten over het bewijs en het verweer omtrent medeplegen ingediend, waaronder een onderbouwd standpunt over camerabeelden en de denaturering van een verklaring van de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat motivering niet noodzakelijk was vanwege het ontbreken van vragen van belang voor de rechtsontwikkeling.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden naar veertien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde deze en verwierp het cassatieberoep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 2 november 2021 door de vice-president en raadsheren van de strafkamer.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot veertien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.