Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2021:1644

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
4 november 2021
Zaaknummer
20/00131
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet KSBArt. 3 Wet KSBArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt individuele en buitensporige last door invoering kansspelbelasting en wijst rechtsherstel toe

Belanghebbende exploiteert kansspelautomaten en heeft over juli 2008 kansspelbelasting betaald na een wetswijziging die omzetbelasting verving door kansspelbelasting tegen 29%. Zij maakte bezwaar tegen deze belastingheffing wegens een individuele en buitensporige last.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat sprake was van een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en kende rechtsherstel toe, begroot op €1.364.740, gebaseerd op meerdere jaren verlies.

De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel en de omvang van het rechtsherstel. De Hoge Raad verwierp het eerste middel dat het bestaan van een individuele en buitensporige last betwistte, en bevestigde het oordeel van het Hof zonder nadere motivering.

Het tweede middel dat het rechtsherstelbedrag betrof, faalde eveneens omdat het Hof terecht rekening hield met het feit dat belanghebbende ook in latere perioden nadeel ondervindt en dat het niet van belanghebbende kan worden verlangd dat zij over elk tijdvak afzonderlijk procedeert.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en bevestigde het oordeel van het Hof, waarmee het beroep in cassatie ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof dat sprake is van een individuele en buitensporige last wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/00131
Datum5 november 2021
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2019, nr. 17/00391 [1] , betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan kansspelbelasting over het tijdvak juli 2008.

1.Het eerste en tweede geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014 [2] is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam [3] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Bij arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2017 [4] is vernietigd de uitspraak van het laatstgenoemde Hof [5] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

2.Het derde geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door B. Jongmans en D.G. Barmentlo, heeft een verweerschrift ingediend.
Namens partijen is de zaak toegelicht, voor belanghebbende door B. Jongmans, advocaat te Halfweg, en D.G. Barmentlo, advocaat te Amsterdam, voor de Staatssecretaris door C.M. Bergman, advocaat te Den Haag.

3.Uitgangspunten in cassatie

Belanghebbende is exploitant van kansspelautomaten. Zij heeft over het tijdvak juli 2008 een bedrag aan kansspelbelasting op aangifte voldaan. Tegen de voldoening op aangifte heeft zij bezwaar gemaakt.
Tot 1 juli 2008 was belanghebbende over het bruto spelresultaat omzetbelasting verschuldigd (op dat moment 19 procent), waarbij als bruto spelresultaat werd aangemerkt de omzet inclusief omzetbelasting. Ten gevolge van een wetswijziging wordt vanaf die datum over het bruto spelresultaat geen omzetbelasting meer geheven, maar kansspelbelasting naar een tarief van 29 procent.

4.Procedure bij het Hof

4.1
Na verwijzing diende het Hof de vraag te beantwoorden of belanghebbende door de hiervoor genoemde wetswijziging is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP Pro).
4.2
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat het belanghebbende daarom rechtsherstel moet bieden. [6] De omvang van het rechtsherstel heeft het Hof schattenderwijs bepaald op € 1.364.740.

5.Beoordeling van de middelen

5.1.1 Het eerste middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende door de bovengenoemde wetswijziging is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP Pro.
5.1.2 Het middel faalt. De Hoge Raad behoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
5.2.1 Het tweede middel bestrijdt de wijze waarop het Hof het aan belanghebbende als schadevergoeding te betalen bedrag heeft bepaald.
5.2.2 In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het bedrag van € 1.364.740 kennelijk de optelsom vormt van het nadeel dat belanghebbende door de wetswijziging heeft ondervonden in de jaren 2008 tot en met 2011.
In deze procedure gaat het om de uitspraak op bezwaar inzake één maand, zodat alleen voor in die maand geleden schade een vergoeding kan worden toegekend, aldus het middel.
5.2.3 Kennelijk heeft het Hof redengevend geacht dat als vaststaand feit moet worden beschouwd dat belanghebbende niet alleen in de maand juli 2008 maar ook in daarop volgende tijdvakken een aan de wetswijziging toe te schrijven verlies zal leiden, terwijl zijn in deze zaak gegeven oordeel dat dit verlies voor belanghebbende een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP Pro vormt, in procedures over andere tijdvakken niet anders zal kunnen luiden. In aanmerking genomen dat de rechter bij het ontstaan van een individuele en buitensporige last steeds gehouden is effectief rechtsherstel te bieden, kon het Hof als uitgangspunt nemen dat van belanghebbende niet gevergd kan worden dat zij over elk tijdvak procedeert teneinde de individuele en buitensporige last te laten wegnemen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
5.2.4 In zoverre faalt het middel. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel voor het overige is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

6.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

7.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 532.

Voetnoten

2.Nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523.
3.Nr. 10/00475, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1893.
4.Nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442.
5.Nr. 14/00768, ECLI:NL:GHDHA:2015:2119.
6.Met verwijzing naar HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511 en HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.