Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 november 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch betreffende voorlopige hechtenis in een strafzaak over poging tot doodslag. De verdachte stelde dat de motivering van het hof voor de voortzetting van de voorlopige hechtenis onvoldoende was en dat de redelijke termijn was overschreden.
De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over de redelijke termijn niet tot vernietiging kon leiden en dat de verdachte geen belang had bij bespreking van de klacht over de voorlopige hechtenis, omdat de opgelegde gevangenisstraf ingaat op de dag van het arrest en de voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht. De Raad maakte vervolgens belangrijke opmerkingen over de motiveringsplicht bij beslissingen over voorlopige hechtenis, verwijzend naar recente jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De Hoge Raad verduidelijkte dat de situatie in deze zaak valt onder artikel 5 lid 1 onder Pro a EVRM (detentie na veroordeling) en niet onder lid c (voorlopige hechtenis bij redelijke verdenking), zoals in de EHRM-uitspraak Saez tegen Nederland is bevestigd. Desondanks benadrukte de Hoge Raad dat elke beslissing over voorlopige hechtenis een op de zaak toegesneden motivering moet bevatten, conform de eisen van het Wetboek van Strafvordering en het EVRM.
Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof betreffende de voorlopige hechtenis.