ECLI:NL:HR:2021:1665

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
4 november 2021
Zaaknummer
20/01508
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 719 oud BWArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep inzake erfdienstbaarheid van weg en verkrijgende verjaring

In deze zaak stond centraal de vraag omtrent de vestiging van een erfdienstbaarheid van weg en de toepassing van verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:99 BW Pro. De procedure betrof een cassatieberoep tegen meerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin onder meer het gebruik van een buurweg en de toepasselijkheid van artikel 719 oud Pro BW werden besproken.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser beoordeeld en geoordeeld dat de klachten tegen de arresten van het hof niet leiden tot vernietiging. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk was om de motivering van het oordeel te geven, omdat het hier niet ging om vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van verweerder werd niet behandeld, omdat het principale beroep niet tot vernietiging leidde. De Hoge Raad veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten.

De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere beslissingen van het hof en geeft geen nieuwe interpretatie van de materiële rechtsvragen, waarmee de rechtszekerheid wordt gewaarborgd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de arresten van het hof worden bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01508
Datum5 november 2021
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder],
advocaat: R.P.J.L. Tjittes.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 117370/ HA ZA 12-14 van de rechtbank te Leeuwarden van 28 maart 2012 en 3 juli 2013;
de arresten in de zaak 200.136.482/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juli 2014, 27 september 2016, 13 februari 2018, 4 december 2018 en 4 februari 2020.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof van 13 februari 2018, 4 december 2018 en 4 februari 2020 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt in het principale cassatieberoep tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de arresten van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 415,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
5 november 2021.