Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
23 november 2021.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor wederspannigheid met lichamelijk letsel als gevolg. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van dertig uren, met subsidiair vijftien dagen hechtenis.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte bij de strafoplegging had meegewogen dat eerdere veroordelingen hem niet hadden weerhouden het nieuwe feit te plegen, terwijl niet was vastgesteld dat die eerdere veroordelingen onherroepelijk waren op het moment van het plegen van het nieuwe feit.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de strafoplegging onvoldoende had gemotiveerd omdat het niet duidelijk was dat de eerdere veroordelingen onherroepelijk waren. Daarom vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest dat betrekking had op de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de strafoplegging.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.