ECLI:NL:PHR:2021:1077

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
18 november 2021
Zaaknummer
20/02866
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 181.1 SrArt. 180 SrArt. 38v SrArt. 36f SrArt. 434 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens ontoereikende motivering over eerdere veroordeling

Op 26 juni 2019 verzette de verdachte zich met geweld tegen twee politieambtenaren tijdens hun rechtmatige taakuitoefening, waarbij een ambtenaar een wond onder het oog opliep. Het hof veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van dertig uur, mede gebaseerd op een eerdere veroordeling die volgens het hof de verdachte niet had weerhouden van het plegen van het huidige feit.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte rekening hield met een eerdere veroordeling die pas onherroepelijk werd op 24 juli 2020, terwijl het bewezenverklaarde feit op 26 juni 2019 plaatsvond. Hierdoor is de strafoplegging ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van het arrest dat betrekking heeft op de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling.

De overige onderdelen van het beroep worden verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat het in beginsel toegestaan is om bij strafoplegging rekening te houden met niet tenlastegelegde feiten, mits deze onherroepelijk zijn op het moment van het bewezenverklaarde feit. Deze zaak benadrukt het belang van correcte motivering en tijdigheid van eerdere veroordelingen bij strafoplegging.

De zaak illustreert de zorgvuldigheid die rechters moeten betrachten bij het meewegen van persoonlijke omstandigheden en eerdere veroordelingen in strafzaken, en bevestigt de jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent strafmotivering en het gebruik van Justitiële Documentatie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens ontoereikende motivering en verwijst de zaak terug naar het hof voor nieuwe strafoplegging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02866
Zitting5 oktober 2021

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 3 september 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt dat het hof de strafoplegging niet naar behoren met redenen heeft omkleed, nu het hof ten bezware van de verdachte heeft geoordeeld dat eerdere veroordelingen verdachte er niet van hebben weerhouden het bewezenverklaarde te plegen, zulks terwijl uit het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie niet kan volgen dat de verdachte eerder ter zake van een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“op 26 juni 2019 te Schiedam, zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaar [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam en [verbalisant 2], hoofdagent van politie Eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte [verdachte] op verdenking van overtreding van een opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht zoals bevolen door de officier van justitie, door
- die [verbalisant 1] met een sleutel, in het gezicht te slaan en
- meerdere malen met kracht te rukken en te trekken in een andere richting dan waarin voornoemde opsporingsambtenaren hem trachtten te brengen en
- een slaande beweging in de richting van die [verbalisant 2] te maken en
- om zich heen te slaan en te trappen,
terwijl dit misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een wond onder het oog, bij die [verbalisant 1] ten gevolge heeft gehad.”
5. Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

StrafmotiveringHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid, ten gevolge waarvan één van de betrokken opsporingsambtenaren letsel onder het oog heeft opgelopen. Door zo te handelen heeft de verdachte de politieambtenaren gehinderd in de rechtmatige uitoefening van hun taak en één van hen bovendien aangetast in diens lichamelijke integriteit. Daarmee heeft hij blijk gegeven van gebrek aan respect voor het openbaar gezag.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.”
6. Het door het hof genoemde uittreksel Justitiële Documentatie van 5 augustus 2020 bevindt zich onder de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding. Dit uittreksel houdt, voor zover hier van belang, in dat de verdachte bij arrest van 9 juli 2020 door het gerechtshof Den Haag is veroordeeld voor het “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” (op 22 februari 2019) en het “opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, meermalen gepleegd” (in de periode van 29 november 2018 tot en met 28 december 2018), en dat die veroordeling op 24 juli 2020 onherroepelijk is geworden.
7. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het de rechter in beginsel vrijstaat om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd strafbaar feit, onder meer wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. [1] In diverse uitspraken heeft de Hoge Raad in aansluiting daarop overwogen:
“2.4.2. Indien in zulke gevallen het vermelden van een niet tenlastegelegd – al dan niet soortgelijk – feit aanleiding geeft tot strafverzwaring, dient de veroordeling dan wel de strafbeschikking ter zake van dat feit in beginsel onherroepelijk te zijn op het moment dat deze in het vonnis of het arrest bij de strafoplegging in aanmerking wordt genomen. Wanneer evenwel met de vermelding van het niet tenlastegelegde feit bij de strafoplegging in het bijzonder gewicht wordt toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte niettegenstaande een eerdere veroordeling of een eerdere strafbeschikking zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan zo een strafbaar feit - bijvoorbeeld doordat in de strafmotivering wordt vermeld dat die veroordeling of die strafbeschikking de verdachte niet heeft weerhouden opnieuw zo een strafbaar feit te begaan - dient de veroordeling of de strafbeschikking ter zake van dat niet tenlastegelegde feit reeds onherroepelijk te zijn ten tijde van het begaan van het feit waarop de strafoplegging betrekking heeft.” [2]
8. Het hof heeft met de overweging dat het “in het nadeel van de verdachte” heeft acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte blijkens het bedoelde uittreksel Justitiële Documentatie “eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten” en dat dit “hem er kennelijk niet van [heeft] weerhouden het onderhavige feit te plegen”, tot uitdrukking gebracht dat het bij de strafoplegging in deze zaak in het bijzonder gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte zich thans opnieuw heeft schuldig gemaakt aan zo een strafbaar feit ondanks een eerdere, volgens het hof onherroepelijke, veroordeling. Deze veroordeling is echter pas op 24 juli 2020 onherroepelijk geworden en was dus nog niet onherroepelijk ten tijde van het begaan van het onderhavige feit, dat gezien ’s hofs bewezenverklaring op 26 juni 2019 is begaan. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.
9. Het middel slaagt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak te dien aanzien opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968,
2.Zie: HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2391,