Belanghebbende had in 2014 een eigen woning gekocht en deze deels gefinancierd met een lening van haar vader. In de aangifte inkomstenbelasting 2016 vermeldde zij alleen de lening bij de bank als eigenwoningschuld en bracht zij alleen de rente daarvan in aftrek. Later diende zij een herziene aangifte in waarin zij ook de lening van haar vader met de vereiste gegevens opgaf.
De Inspecteur wees het verzoek tot ambtshalve vermindering af omdat de herziene aangifte te laat was ingediend, na het verstrijken van de bezwaartermijn. Het Hof oordeelde dat de lening van haar vader niet als eigenwoningschuld kon worden aangemerkt omdat niet tijdig aan de wettelijke opgaveverplichting was voldaan, waardoor de rente niet aftrekbaar was.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de aftrek van rente geen fiscale faciliteit was en dat de sanctie disproportioneel was. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de wettelijke verplichting tot tijdige opgave van gegevens een voorwaarde is voor de aftrekbaarheid van de rente. De Hoge Raad benadrukte dat deze regeling een bewuste beleidskeuze van de wetgever is en dat de rechter deze niet mag terzijde schuiven.
Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.