Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
30 november 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van gewoontewitwassen.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 1.281.126,27, gelijk aan het bedrag dat de betrokkene in de periode van juli 2014 tot maart 2015 zou hebben witgewassen. Het hof motiveerde dat deze contante uitgaven, waarvan de bron onbekend was, als wederrechtelijk verkregen voordeel moesten worden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat alle contante uitgaven die voorwerp waren van gewoontewitwassen automatisch als wederrechtelijk verkregen voordeel gelden. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk tot dat volledige bedrag voordeel heeft verkregen. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling.
De beslissing werd genomen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 30 november 2021.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.