ECLI:NL:HR:2021:1752

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
20/02947
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering schatting wederrechtelijk verkregen voordeel bij gewoontewitwassen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van gewoontewitwassen.

Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 1.281.126,27, gelijk aan het bedrag dat de betrokkene in de periode van juli 2014 tot maart 2015 zou hebben witgewassen. Het hof motiveerde dat deze contante uitgaven, waarvan de bron onbekend was, als wederrechtelijk verkregen voordeel moesten worden aangemerkt.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat alle contante uitgaven die voorwerp waren van gewoontewitwassen automatisch als wederrechtelijk verkregen voordeel gelden. Zonder nadere motivering is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk tot dat volledige bedrag voordeel heeft verkregen. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling.

De beslissing werd genomen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 30 november 2021.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02947 P
Datum30 november 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2020, nummer 21-004368-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft T.E. Korff, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de schatting van het door middel van of uit de baten van het in de strafzaak bewezenverklaarde gewoontewitwassen wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd.
2.2.1
Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 1.281.126,27 en heeft daartoe het volgende overwogen:
“De betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 september 2020 (parketnummer (21-004212-17) ter zake van het plegen van witwassen een gewoonte maken, veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde financieel voordeel heeft genoten.
(...)
Het hof heeft bewezen verklaard dat de betrokkene een bedrag van € 1.281.126,27 in de periode van 8 juli 2014 tot en met 14 maart 2015 heeft witgewassen (geld waarvoor geen legale bron kan worden aangewezen). Dit bedrag staat in deze procedure daarom niet ter discussie.
(...)
Conclusie
Het hof stelt vast dat de betrokkene tot een bedrag van € 1.281.126,27 uitgaven heeft gedaan waarvan de bron van herkomst onbekend is gebleven en waarvan dus wordt aangenomen dat deze bron illegaal is. Deze uitgaven worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft tot voornoemd bedrag voordeel genoten. Het hof schat het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve op € 1.281.126,27.”
2.2.2
In de strafzaak die met deze ontnemingsprocedure verband houdt, is bewezenverklaard dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het maken van een gewoonte van het verwerven, voorhanden hebben, omzetten en gebruikmaken van een geldbedrag van in totaal € 1.281.126,27, waarvan hij wist dat dit van enig misdrijf afkomstig was. Dat feit is gekwalificeerd als gewoontewitwassen.
2.3
In de onder 2.2.1 weergegeven overwegingen heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 1.281.126,27. Dit oordeel is kennelijk gebaseerd op de opvatting dat de contante uitgaven tot een bedrag van € 1.281.126,27, nu zij voorwerp waren van het bewezenverklaarde gewoontewitwassen, alleen al daarom wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. Die opvatting is niet juist (vgl. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077). Zonder nadere motivering is daarom niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk tot een bedrag van € 1.281.126,27 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het bewezenverklaarde gewoontewitwassen.
2.4
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 november 2021.