Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Gouda,
2.Uitgangspunten en feiten
Definities
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 december 2021.
Hoge Raad
In deze zaak draait het om een bankgarantie die ABN AMRO heeft afgegeven ten behoeve van appartementseigenaren, waarbij de garantie een vervaldatum bevatte die korter was dan de termijn die in de toepasselijke algemene voorwaarden was voorzien. De appartementseigenaren hadden een aannemingsovereenkomst met een aannemingsbedrijf, waarbij een afbouwwaarborg van 5% van de aanneemsom was gesteld. Deze waarborg was vervangen door een bankgarantie van ABN AMRO met een vervaldatum van 1 juni 2016, terwijl de notaris een langere termijn van een jaar had voorgesteld.
Na faillissement van het aannemingsbedrijf en weigering van ABN AMRO om uit te betalen onder de bankgarantie, stelde Woningborg dat ABN AMRO onrechtmatig had gehandeld door de bankgarantie met een te korte vervaltermijn af te geven. Het hof oordeelde dat ABN AMRO als bank gehouden was om de belangen van de appartementseigenaren mee te wegen en dat zij onzorgvuldig had gehandeld door het vervalbeding zonder nader onderzoek op te nemen.
De Hoge Raad bevestigde dat in beginsel een bank bij het stellen van een bankgarantie geen acht hoeft te slaan op de onderliggende rechtsverhouding, maar dat onder bijzondere omstandigheden deze plicht wel kan ontstaan. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van ABN AMRO en bevestigde het oordeel van het hof dat ABN AMRO onrechtmatig had gehandeld en aansprakelijk was voor de schade van € 419.650,--.
De Hoge Raad veroordeelde ABN AMRO tevens in de proceskosten. Dit arrest bevestigt de bijzondere zorgplicht van banken bij het afgeven van bankgaranties in complexe situaties waarbij de belangen van derden kenbaar zijn.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat ABN AMRO onrechtmatig heeft gehandeld door een bankgarantie met een te korte vervaltermijn af te geven en veroordeelt de bank tot betaling van € 419.650,-- schadevergoeding.