Conclusie
Op grond van de op de aannemingsovereenkomsten van toepassing zijnde garantieregeling heeft Woningborg op haar kosten het appartementsgebouw laten afbouwen.
In de onderhavige procedure spreekt Woningborg de bank aan tot schadevergoeding. Heeft de bank onrechtmatig gehandeld jegens de appartementseigenaren door op verzoek van de aannemer – zonder nader onderzoek te doen – een qua zekerheid niet aan de 5%-depots gelijkwaardige bankgarantie af te geven? Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. In cassatie wordt dat oordeel met verschillende klachten bestreden. In het cassatieberoep staat centraal de vraag wat de taak en verantwoordelijkheid van de bank is bij de afgifte van een bankgarantie. Voorts richt het cassatiemiddel klachten tegen het oordeel van het hof dat de appartementseigenaren schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de bank en dat de schadevergoedingsvorderingen van de appartementseigenaren jegens de bank bij wijze van subrogatie op de voet van art. 7:962 BW Pro op Woningborg zijn overgegaan.
1.Feiten
De afbouwwaarborg
Definities
2.Procesverloop
3.Inleiding
Onderdeel 1ziet op het oordeel van het hof dat Woningborg is gesubrogeerd in de vorderingen van de appartementseigenaren op de bank.
Onderdeel 2keert zich met diverse rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de bank onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de appartementseigenaren bij de afgifte van de bankgarantie.
Onderdeel 3heeft betrekking op het causaal verband en de schade.
4.Onderdeel 1: subrogatie (art. 7:962 BW Pro)
uit hoofde van een schadeverzekering.
uit hoofde vaneen schadeverzekering. [15]
vordering tot schadevergoeding.
derdenen
anders dan uit verzekering.
schadehebben
vergoed.
indien en voor zoverhij de door de verzekerde geleden schade vergoedt. Dit brengt mee dat de verzekeraar reeds moet hebben gepresteerd en niet slechts een voornemen daartoe heeft geuit. [19] Voorts gaat de vordering slechts over op de verzekeraar voor dat deel van de schade dat door de verzekeraar betaald is. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat met het begrip ‘schade’ in afdeling 2 van titel 7.17 wordt aangesloten bij het bepaalde in art. 6:95 BW Pro, zodat daaronder vermogensschade en ander nadeel wordt begrepen. [20] Op grond van art. 6:96 BW Pro omvat vermogensschade zowel geleden verlies of gederfde winst. De verzekeraar kan de uitkering aan de verzekerde ook anders dan in geld verrichten (art. 7:926 lid 1 BW Pro), bijvoorbeeld door het verlenen van diensten. [21] Ook kan de verzekeraar de schade van de verzekerde vergoeden door rechtstreeks aan een derde te betalen. [22]
Nationale Nederlanden/Woudsend– in afwijking van eerdere jurisprudentie – art. 284 Wvk Pro in deze zin had uitgelegd. [24]
verplichtheeft vergoed. Voldoende is dat de verzekeraar de schade heeft vergoed uit hoofde van de schadeverzekeringsovereenkomst.
5.Onderdeel 2: zorgvuldigheid bank bij afgifte bankgarantie
eersterechtsverhouding is die tussen de opdrachtgever en de begunstigde, op grond waarvan de bankgarantie ten behoeve van de begunstigde wordt gesteld. Deze rechtsverhouding wordt in de literatuur ook wel aangeduid als de ‘onderliggende rechtsverhouding’. [33] De bankgarantie dient als zekerheid voor de nakoming van één of meerdere verbintenissen die de opdrachtgever jegens de begunstigde heeft of zal hebben. Die verbintenissen kunnen een contractuele grondslag hebben, maar kunnen ook voortvloeien uit de wet (zoals een verbintenis tot schadevergoeding). De verplichting van de opdrachtgever om een bankgarantie te stellen, kan volgen uit de onderliggende rechtsverhouding zelf of uit een andere overeenkomst. [34] De inhoud van de te stellen bankgarantie, waaronder de voorwaarden voor uitbetaling, wordt in beginsel bepaald door de opdrachtgever en de begunstigde. [35]
tweederechtsverhouding is die tussen de opdrachtgever en de bank. Deze rechtsverhouding laat zich over het algemeen kwalificeren als een overeenkomst van lastgeving (art. 7:414 lid 1 BW Pro). [36] De essentie van de overeenkomst is dat de bank zich jegens de opdrachtgever verbindt om voor rekening en risico van de opdrachtgever de bankgarantie jegens de begunstigde te stellen. De bank gaat daarbij in eigen naam een verplichting jegens de begunstigde aan. [37] De bank zal de bankgarantie moeten stellen overeenkomstig de instructies van de opdrachtgever, mits de bank met de voorgestelde voorwaarden kan instemmen in die zin dat de voorwaarden waaronder tot uitkering moet worden uitgegaan geen misverstanden kunnen opleveren. [38] Op grond van de rechtsverhouding tussen de bank en de opdrachtgever rust op de bank de verplichting om te controleren of het betalingsverzoek van de begunstigde voldoet aan de gestelde voorwaarden voordat zij tot uitbetaling onder de bankgarantie overgaat. [39] De bank heeft in beginsel uit hoofde van de lastgeving een regresrecht op de opdrachtgever als zij uitbetaalt onder de bankgarantie. De terugbetalingsverplichting van de opdrachtgever wordt doorgaans ook uitdrukkelijk vastgelegd in een contragarantie van de opdrachtgever en afgedekt door zekerheden die door de opdrachtgever of derden zijn gesteld. De bank zal voorts een provisie in rekening brengen voor het beschikbaar stellen/houden van het met de bankgarantie verbonden bedrag en de in het kader van de bankgarantie te verrichten werkzaamheden. [40]
derdeplaats een rechtshouding tot stand tussen de bank en de begunstigde. De bank verbindt zich jegens de begunstigde om onder voorwaarden te betalen. De heersende opvatting in de literatuur is dat deze rechtsverhouding moet worden gekwalificeerd als een (eenzijdige) overeenkomst tussen de bank en de begunstigde, die tot stand komt door een onherroepelijk aanbod van de bank en de stilzwijgende aanvaarding door de begunstigde. [41]
Gesnoteg/Mees Piersonis dit als volgt verwoord (rov. 3.4): [51]
zonder nader onderzoek evident is’ dat sprake is van bedrog of willekeur. [55] Gelet op het abstracte karakter van de bankgarantie en de onafhankelijke positie van de bank, rust op de bank geen plicht om onderzoek te doen naar de materiële gegrondheid van een afroep onder de bankgarantie. [56]
de stelfase)
in het algemeeneen verplichting zou rusten om te beoordelen of de voorwaarden van de bankgarantie, volgens de door de opdrachtgever aangeleverde tekst, aansluiten bij de onderliggende rechtsverhouding tussen de opdrachtgever en de (aspirant-)begunstigde. Nu de bank in de afroepfase niet gehouden is om onderzoek te doen naar de onderliggende rechtsverhouding, ligt het ook niet in de rede dat de bank in de stelfase wèl een dergelijke verplichting zou hebben. Het voorgaande betekent m.i. dat moet worden aangenomen dat op de bank in beginsel geen
bijzonderezorgplicht jegens de begunstigde rust, op grond waarvan de bank een bepaalde voorwaarde niet zou mogen opnemen in de garantie, de begunstigde ervoor zou moeten waarschuwen in het geval de voorwaarde niet past bij de onderliggende rechtsverhouding of als sprake is van een voorwaarde die onmogelijk kan worden vervuld. [60] De bank zal ook niet altijd over de kennis beschikken om te beoordelen of de bankgarantie de werking heeft die door partijen wordt beoogd en of deze aansluit bij de onderliggende rechtsverhouding; de begunstigde verkeert daartoe over het algemeen in een betere positie dan de bank. [61] Het ligt daarom in beginsel op de weg van de begunstigde om de bankgarantie te weigeren of aan te dringen op wijziging van de betalingsvoorwaarden, indien de bankgarantie niet overeenstemt met wat de begunstigde en de opdrachtgever zijn overeengekomen. [62]
direct kenbaaris dat de bankgarantie niet aansluit bij de onderliggende omstandigheden, bijvoorbeeld omdat het inroepen daarvan – gelet op de voorwaarden in de bankgarantie – praktisch onmogelijk is of anderszins uiterst nadelig is voor de begunstigde. [63] In dergelijke, evidente gevallen kan van de bank worden gevraagd dat hij onderzoekt of de begunstigde heeft ingestemd met de voorwaarden, of de begunstigde ervan op de hoogte is dat de voorwaarden niet aansluiten bij de onderliggende rechtsverhouding en of de begunstigde ermee bekend is dat de voorwaarden (vrijwel) onmogelijk kunnen worden vervuld. Een dergelijke zorgplicht geldt temeer indien de begunstigde een particuliere wederpartij (consument) is, die veel minder kennis heeft over financiële producten, zoals een bankgarantie, dan een bank. Als de bank in gevallen zoals hiervoor geschetst geen enkele zorgplicht jegens de begunstigde zou hebben, zou in feite worden aanvaard dat het de bank vrijstaat om – als de opdrachtgever dat wenst – een (nagenoeg) waardeloze bankgarantie af te geven. Dat kan naar mijn mening niet juist zijn, alleen al omdat daarmee het zakelijke verkeer wordt ondermijnd.
Het hof stelt voorop dat de garanderende bank niet slechts de belangen van degene die de opdracht gaf tot het stellen van de garantie in het oog moet houden, maar ook die van degene te wiens gunste de garantie is gesteld) is ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015 (
ABN AMRO/Rabobank), waarin de Hoge Raad voor de afroepfase van de bankgarantie overweegt dat de bank zowel rekening moet houden met de belangen van degene die de opdracht gaf tot het stellen van de bankgarantie als van degene te wiens gunste de bankgarantie is gesteld (zie hiervoor onder 5.11). Dat het hof die overweging doortrekt naar de stelfase, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu daarin op zichzelf niet is te lezen dat de bank (steeds) acht zou moeten slaan op de onderliggende rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigde. Met deze algemene geformuleerde overweging is in feite niets meer of anders gezegd dan dat de bank zowel een rechtsbetrekking heeft met de opdrachtgever als met de begunstigde en ten opzichte van hen een ‘neutrale tussenpositie’ inneemt. Die opvatting is op zichzelf juist (zie hiervoor onder 5.6-5.7 en onder 5.12). De overweging komt ook niet op gespannen voet met het karakter van een abstracte bankgarantie.
Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan deze verplichting meebrengen dat de bank ook bij het stellen van een abstracte bankgarantie acht dient te slaan op de onderliggende rechtsverhouding) begrijp ik zo, dat het hof daarmee bedoelt dat afhankelijk van de specifieke omstandigheden in een concreet geval, van de bank gevergd kan worden wél acht te slaan op de onderliggende rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigde. Ook deze overweging is nogal algemeen geformuleerd en als zodanig niet onjuist. Wel is aan te tekenen dat als meer specifiek wordt ingevuld onder welke omstandigheden dat dan van de bank mag worden gevraagd, en wát in dit verband dan precies van de bank mag worden gevraagd, m.i. moet worden aangenomen – in lijn met de literatuur – dat alleen in
evidentegevallen een zorgplicht van de bank bestaat jegens de begunstigde ten aanzien van de in de bankgarantie opgenomen voorwaarden. In dergelijke, evidente gevallen kan van de bank worden gevraagd dat hij onderzoekt of de begunstigde heeft ingestemd met de voorwaarden, of de begunstigde ervan op de hoogte is dat de voorwaarden niet aansluiten bij de onderliggende rechtsverhouding en of de begunstigde ermee bekend is dat de voorwaarden (vrijwel) onmogelijk kunnen worden vervuld (zie hiervoor onder 5.15-5.16). Omdat een dergelijke zorgplicht van de bank alleen in
evidentegevallen bestaat, geldt dat dit slechts in bijzondere gevallen aan de orde kan zijn, namelijk wanneer
direct duidelijkis dat zo’n geval zich voordoet. Dit is in lijn met de hoofdregel, dat de bank bij het afgeven van een bankgarantie in beginsel niet hoeft te beoordelen of de bankgarantie aansluit bij de onderliggende rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigde.
onder 2.2.3vermeld dat het hof heeft miskend dat een plicht van de bank zoals door het hof is aangenomen, slechts aan de orde kan zijn indien de bank reeds op basis van de aan haar verstrekte informatie, kennelijk en dus zonder nader onderzoek te verrichten en zonder zich te verdiepen in de onderliggende rechtsverhouding, voldoende duidelijke en concrete aanwijzingen heeft dat de notaris zijn door art. 7:768 lid 3 BW Pro opgedragen taak op ernstige wijze miskend of zal miskennen door het depot vrij te geven tegen het stellen van een bankgarantie, terwijl voor de bank zonder meer duidelijk was dat de aspirant-begunstigden niet hebben ingestemd met de voorwaarden en zij daardoor een reëel risico van schade lopen. In ieder geval heeft het hof een onvoldoende terughoudende en daarom onjuiste maatstaf aangelegd.
gelijkwaardigis aan het depot. De notaris mag op grond van art. 7:768 lid 3 BW Pro niet een depot vrijgeven aan de aannemer indien de bankgarantie geen gelijkwaardige zekerheid biedt, tenzij de opdrachtgever met de vrijgave van het depot (uitdrukkelijk) heeft ingestemd. [64]
nietaan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd dat – in zijn algemeenheid – zou gelden dat de bank niet ervan mag uitgaan dat de notaris de aan hem in art. 7:768 lid 3 BW Pro opgedragen wettelijke taak naar behoren zal uitvoeren. Ook is daarin niet te lezen dat de bank zich (steeds) zou moeten verdiepen in de achtergrond van de door de opdrachtgever aan haar gegeven instructie en/of moet nagaan of één of meer voorwaarden in de te stellen bankgarantie (bevoegdelijk) namens één of meer begunstigden is aanvaard. Het oordeel van het hof houdt immers in dat in dit geval voor de bank
direct duidelijkwas, althans kon zijn, dat de in de bankgarantie opgenomen vervaltermijn van zes maanden niet voldeed aan de wettelijke eis dat het 5%-depot slechts mag worden vrijgegeven als een aan het depot
gelijkwaardigebankgarantie wordt gesteld en dat de bankgarantie dus
evidentin strijd was met art. 7:768 lid 3 BW Pro in verbinding met art. 6:51 lid 2 BW Pro; dat de vervaltermijn ook afweek van de door de bank zelf gehanteerde standaardvoorwaarden voor een bankgarantie in een geval als het onderhavige; dat de bank dat ook had onderkend en dat de appartementseigenaren op het punt stonden hun zekerheid voor het 5%-depot te verliezen zonder dat daar enige reële zekerheid tegenover stond (omdat het in feite ging om een ‘waardeloze’ bankgarantie [65] ). Bovendien kon de bank er niet van uit gaan dat de (aspirant-)begunstigden hadden ingestemd met de vervaltermijn. Een dergelijke instemming bleek nergens uit en zou ook hoogst onaannemelijk zijn, nu het vrijwel ondenkbaar was dat de appartementseigenaren de bankgarantie met succes zouden kunnen inroepen en de bank ervan op de hoogte was dat het verhaal door de appartementseigenaren op de aannemer zeer lastig zou kunnen worden (rov 3.15, vierde alinea). De bank kon er ook niet van uitgaan dat de notaris namens de begunstigden had ingestemd met de voorwaarden van de bankgarantie, nu dat én niet past bij de rol van de notaris als projectnotaris én uit de emailcorrespondentie geenszins is af te leiden dat de notaris heeft overlegd met de appartementseigenaren of namens hen is opgetreden (rov. 3.5, tweede alinea).
in dit specifieke gevalvoor de bank zonder meer duidelijk had kunnen zijn (dus zonder nader onderzoek en zonder zich te verdiepen in de onderliggende rechtsverhouding) dat de door de opdrachtgever voorgestelde voorwaarden niet aansloten bij de rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigden.
evidentwas dat – in mijn woorden – (i) de voorwaarden van de bankgarantie niet aansluiten bij de onderliggende rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigden; (ii) de bankgarantie geen vervangende zekerheid oplevert als bedoeld in art. 7:768 BW Pro; (iii) het met succes inroepen van de bankgarantie vrijwel onmogelijk is, (iv) waardoor het verstrekken van de bankgarantie onder deze voorwaarden de positie van de begunstigden ernstig benadeelt en (v) er geen grond was voor de bank om te veronderstellen dat de begunstigden desondanks toch met die voorwaarden hadden ingestemd. Daarmee heeft het hof de onder 5.16 geformuleerde maatstaf niet miskend of onjuist toegepast.
Dat de notaris het eens was met de verkorting van de vervaltermijn tot een half jaar heeft de bank daaruit derhalve niet kunnen afleiden”).
onder 2.4.1dat het oordeel rechtens onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is, in het licht van de stellingen van de bank dat de notaris met de regeling in de artikelen 12 en 13 Algemene Voorwaarden door de appartementseigenaren is aangewezen als vertegenwoordiger althans hulppersoon en dat daarin de bevoegdheid is verstrekt aan de notaris om namens althans ten behoeve van de appartementseigenaren te handelen inzake de te stellen bankgarantie.
in 2.4.2) de klacht dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het door de bank ingeroepen feit dat negen van de elf appartementseigenaren hebben ingestemd met de bankgarantie en ervoor kozen in te stemmen met de vrijgave van het depot. Betoogd wordt dat deze instemming andermaal bevestigt dat de bank ervan mocht uitgaan dat de notaris handelde namens of met de instemming van de appartementseigenaren.
voorafgaand aan het afgeven van de bankgarantieervan mocht uitgaan dat de notaris handelde namens of met instemming van de appartementseigenaren. Overigens ligt in rov. 3.10 besloten dat het hof dit argument van de bank niet steekhoudend acht.
onder 2.4.3dat het hof art. 24 Rv Pro heeft geschonden, omdat Woningborg geen kenbare stellingen zou hebben ingenomen over wat de bank op 17 december 2015 naar aanleiding van de haar toegestuurde e-mailcorrespondentie tussen de aannemer en de notaris had moeten begrijpen over de vraag of de notaris al dan niet namens of met instemming van de appartementseigenaren handelde.
onder 2.4.4dat, gelet op de wettelijke en contractuele taak van de notaris, irrelevant is dat – zoals het hof heeft overwogen – niet de indruk kan zijn gewekt dat de notaris ook namens of met instemming van de appartementseigenaren optrad.
onder 2.4.5geklaagd dat het hof met zijn oordeel een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, omdat het zich niet (kenbaar) heeft beperkt tot een onderzoek of de bank op basis van de haar toegestuurde emailcorrespondentie – mede gegeven haar beperkte rol, het tijdsbestek waarin de bank moet handelen en het beperkte inzicht dat de bank heeft in de relatie tussen de aannemer, de notaris en de opdrachtgevers van de aannemer – over voldoende duidelijke, concrete en ondubbelzinnig aanwijzingen beschikte dat de notaris zijn door art. 7:768 lid 3 BW Pro opgedragen taak op ernstige wijze miskende of zou miskennen.
voor zover de appartementseigenaren natuurlijke personen zijn die niet handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
alleappartementseigenaren ingevolge art. 12 van Pro de Algemene Voorwaarden een opschortingsrecht conform het opschortingsrecht dat de consument-appartementseigenaren hadden op grond van art. 7:768 BW Pro. Nu alle appartementseigenaren hetzelfde opschortingsrecht hadden, valt niet in te zien waarom andere eisen aan de bank zouden moeten worden gesteld in haar relatie tot de niet-consumenten. Dit geldt temeer nu de door de bank afgegeven bankgarantie een
collectievebankgarantie was ten behoeve van
alleappartementseigenaren (zie de considerans van de bankgarantie onder E, rov. 2.11). Blijkens de tekst van de bankgarantie (zie de considerans onder C) is ook de bank ervan uitgegaan dat iedere appartementseigenaar hetzelfde opschortingsrecht had. Het subonderdeel faalt derhalve.
6.Onderdeel 3: causaal verband en schade
privégedeelten. [70]
van de totale aanneemsomin depot was gestort. Ditzelfde heeft het hof overwogen in rov. 3.9 (laatste zin). Uit deze overwegingen blijkt dat het hof de stelling van de bank dat de door haar gestelde bankgarantie slechts strekte tot zekerheid voor de vorderingen jegens de aannemer ter zake van de niet correcte of niet tijdige oplevering van de privégedeelten, niet heeft gevolgd.
op de datum van oplevering van diens woning en […] geldig [is] tot een maximum bedrag van 5% van het totaal van de aanneemsommen van alle woningen van voormeld bouwplan (….)”. Nu het gaat om een abstracte bankgarantie, waarvoor geldt dat aan de uitleg daarvan een groot gewicht toekomt aan de - strikt te lezen - bewoordingen (zie hiervoor onder 5.11), is niet in te zien dat het woord ‘woning’ gelezen zou moeten worden als ‘privégedeelten’ van het appartementengebouw.