ECLI:NL:HR:2021:183

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2021
Publicatiedatum
4 februari 2021
Zaaknummer
19/04591
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 107 VWEUArt. 108 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over kredietgaranties havenbedrijf als geen verboden staatssteun

In deze zaak heeft Commerz Nederland N.V. cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin het ging om de vraag of door het havenbedrijf Rotterdam verstrekte kredietgaranties als verboden staatssteun kunnen worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft het beroep van Commerz verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

De kern van het geschil betrof de toerekening van de kredietgaranties aan de gemeente Rotterdam, de bevoegdheid van de bestuurder van het havenbedrijf tot het verstrekken van garanties, en de vraag of er sprake was van begunstiging van de kredietverstrekker. Ook is de betekenis van de goedkeuring door de Raad van Commissarissen van het havenbedrijf aan de orde geweest.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klachten van Commerz niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij is overwogen dat het niet nodig is om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de beoordeling niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Commerz is veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Commerz wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/04591
Datum5 februari 2021
ARREST
In de zaak van
COMMERZ NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
hierna: Commerz,
advocaat: W.H. van Hemel,
tegen
HAVENBEDRIJF ROTTERDAM N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: HbR,
advocaten: J.W.M.K. Meijer en B.M.H. Fleuren.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
zijn arrest in de zaak 11/02221, ECLI:NL:HR:2016:994, van 27 mei 2016;
het arrest in de zaak 200.223.811/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2019.
Commerz heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
HbR heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor HbR toegelicht door haar advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van Commerz heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt Commerz in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HbR begroot op € 6.802,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Commerz deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vicepresident C.A. Streefkerk en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
5 februari 2021.