Conclusie
Commerz,
HbR,
1.Feiten
RDM Vehicles) ter beschikking gesteld. [6] Dit krediet (hierna:
het Vehicles-krediet) was bedoeld voor de financiering van de productie van het pantservoertuig ‘Fennek’ voor het ministerie van Defensie.
[betrokkene 1]), in zijn hoedanigheid van algemeen directeur van het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam (hierna:
GHR) dat een tak van dienst van de gemeente Rotterdam (hierna:
de Gemeente) was, een garantie afgegeven waarmee GHR zich jegens Commerz garant stelde voor de nakoming van de verplichtingen van RDM Vehicles uit hoofde van het Vehicles-krediet (hierna:
garantie van 5 november 2003). [7]
legal opinionaan Commerz uitgebracht. In de definitieve versie van deze opinie, gedateerd 10 november 2003, wordt verklaard dat deze garantie “
constitute valid, binding and enforceable obligations of GHR.” [8] De
legal opinionwas gebaseerd op een door [betrokkene 1] ondertekend
certificate, waarin hij verklaart dat hij bevoegd is om namens GHR genoemde garantie af te geven. [9]
RvC) door de Gemeente werden benoemd. De Havenwethouder was de voorzitter van de RvC. Art. 25 lid 6 van Pro de statuten van HbR luidde als volgt: [10]
RDM I) en een kredietfaciliteit van € 6,4 miljoen aan RDM Finance II B.V. (hierna:
RDM II) (de kredieten worden hierna gezamenlijk aangeduid als:
RDM-kredieten). [11] De RDM-kredieten waren bedoeld voor de financiering van orders die bij [A] B.V. waren geplaatst. Voor de nakoming van de verplichtingen van RDM I en RDM II uit hoofde van die kredieten heeft HbR zich garant gesteld. Dit is neergelegd in twee door [betrokkene 1] , in zijn (nieuwe) hoedanigheid van (enig) bestuurder van HbR, ondertekende garanties van 2 maart 2004 (hierna:
RDM-garanties). [12]
de garantie van 4 juni 2004). [17] Daartegenover heeft Commerz de Gemeente ontslagen uit haar verplichtingen uit hoofde van de door GHR verleende garantie van 5 november 2003. De garantie van 4 juni 2004 heeft aldus de garantie van 5 november 2003 vervangen.
B&W) de Commissie tot Onderzoek Rekening vertrouwelijk geïnformeerd over de uitkomst van een intern onderzoek naar de garantie van 5 november 2003. [18] B&W schreef onder meer dat de garantstelling hem tot voor kort niet bekend was, dat alle verplichtingen van GHR zijn overgegaan op HbR, dat de garantstelling geen gevolgen heeft voor de jaarrekening 2003 van GHR en dat de algemeen directeur GHR ( [betrokkene 1] ) “
strikt formeel binnen het mandaat inzake private rechtshandelingen is gebleven.” [19]
11. Goedkeuring garantieverstrekking Commerzbank
2.Procesverloop
de rechtbank) gedagvaard en, voor zover thans nog van belang, betaling gevorderd van de hiervoor in 1.16 en 1.17 genoemde bedragen, plus rente.
Commissie) hadden moeten worden aangemeld. Nu dat niet is gebeurd, zijn de garanties nietig op grond van art. 3:40 lid 2 BW Pro en kan Commerz er dus geen beroep op doen.
In het bijzonder is elke aanwijzing relevant waaruit in het concrete geval blijkt dat de overheid hetzij is betrokken bij de vaststelling van een maatregel of dat het onwaarschijnlijk is dat zij hierbij niet betrokken is, mede gelet op de omvang van deze maatregel, op de inhoud ervan of op de eraan verbonden voorwaarden, hetzij niet is betrokken bij de vaststelling van die maatregel (arrest Frankrijk/Commissie, EU:C:2002:294, punten 56 en 57).
Maar dat is, zeker in het licht van de hiervoor in 3.4.2 (eerste alinea) genoemde omstandigheden, onvoldoende om tot toerekening aan de Gemeente te concluderen, nu daaruit nog niet volgt dat de Gemeente bij het verlenen van de onderhavige garanties betrokken was of dat onwaarschijnlijk is dat zij daarbij niet betrokken was. (…).”
het hof) het vonnis van 24 januari 2007 van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, HbR op grond van de RDM-garanties veroordeeld tot betaling aan Commerz van € 4.869,00 en € 14.538,24 plus rente. [32] Het hof heeft het meer of anders door Commerz gevorderde afgewezen. Dit betekent onder meer dat het hof, net als in 2007 de rechtbank Rotterdam, de vordering van Commerz tot betaling van € 19.843.541,80 op grond van de garantie van 4 juni 2004 (te vermeerderen met onder meer rente) heeft afgewezen.
3.Algemene opmerkingen
is betrokken bij de vaststelling van een maatregel of dat het onwaarschijnlijk is dat zij hierbij niet betrokken is.” [34] Uit het laatste zinsdeel blijkt dat niet positief bewezen hoeft te worden dat de overheid betrokken is geweest bij het nemen van de concrete maatregel. [35]
samenstel van aanwijzingenerop duidt dat de ene garantie wel (de garantie van 4 juni 2004) en de twee andere garanties niet (de RDM-garanties) aan de gemeente moeten worden toegerekend
.”
Mededeling garanties. De hier temporeel van toepassing zijnde versie dateert van 2000, [39] een latere en nog steeds geldende versie dateert van 2008. [40] Volgens de Mededeling garanties wordt de
kredietnemerbevoordeeld door een overheidsgarantie omdat hij daardoor (normaal gesproken) een rente moet betalen die lager is dan wat gelet op het risicoprofiel een marktconforme rente zou zijn. De rente belichaamt immers het risicoprofiel. De
kredietgeverwordt in bepaalde situaties ook bevoordeeld. Ik citeer de Mededeling garanties uit 2000:
Mededeling begrip staatssteun) [42] trekt deze lijn door: [43]
Residex-zaak, die eveneens betrekking had op een door [betrokkene 1] in het geheim gegeven garantie (vóór de verzelfstandiging van het havenbedrijf), is tijdens de prejudiciële procedure de vraag aan de orde gekomen of behalve de kredietnemer niet ook Residex als kredietgever een eigen economisch voordeel had verkregen. Volgens het Hof van Justitie kon niet worden uitgesloten dat Residex voor een oude vordering meer zekerheid had verkregen als gevolg van de betrokken overheidsgarantie, zonder dat de voorwaarden van de gegarandeerde lening zijn aangepast. [44] Omdat het gerechtshof Den Haag in die zaak niet feitelijk had vastgesteld dat Residex zelf ook was bevoordeeld, heeft de Hoge Raad in zijn eindarrest in de volgende overweging ten overvloede gevolg gegeven aan het arrest van het Hof van Justitie: [45]
onderdeel 2van het middel.
onderdeel 3van het middel.
onderdeel4 van het middel.
Residexwaarin de Hoge Raad het volgende heeft overwogen (rov. 3.4.3, slot):
Onderdeel 5ziet daar op.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
dat aan het vereiste van toerekening is voldaan” (rov. 3.11).
in principeop wijst dat de overheid bij het verlenen van die garanties was betrokken of dat het onwaarschijnlijk is dat zij hierbij niet betrokken was (punt 35). Dat het Hof van Justitie nog een kleine slag om de arm hield is begrijpelijk omdat het hierbij uiteindelijk om een feitelijk oordeel gaat.
elkeaanwijzing relevant is om te bepalen of in het concrete geval de overheid betrokken is geweest bij de vaststelling van een maatregel of dat het onwaarschijnlijk is dat de overheid daarbij niet betrokken is geweest. [58] Het hof heeft daarmee de juiste maatstaf gehanteerd. Aanwijzingen die dateren van ná de steunmaatregel kunnen relevant zijn, zoals in dit geval de goedkeuring door de RvC. Ik verwijs in dat verband naar de conclusie van A-G Keus van 7 december 2012, punt 2.34:
de overige feiten en omstandigheden waar Commerz op wijst” heeft betrokken in zijn oordeel dat de garantieverstrekking van 4 juni 2004 aan de Gemeente kan worden toegerekend. Uit gebruik van het woord “
overige” blijkt dat het hof daarbij onder meer acht heeft geslagen op de door Commerz in haar klacht genoemde feiten en omstandigheden. Dat het hof deze feiten en omstandigheden niet stuk voor stuk heeft benoemd, maar in plaats daarvan heeft samengevat met de zinsnede dat “
de Gemeente de garantieverlening niet heeft gewild”, is niet onjuist of onbegrijpelijk.
informed consent’ aan de zijde van de RvC. Voor zover het hof dit heeft miskend, is zijn oordeel onjuist. Voor zover het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk, aldus de klacht.
informed consent’op de situatie dat de RvC van HbR volledig op de hoogte was van de ware gang van zaken omtrent de garantieverlening van 4 juni 2004 en zodoende welbewust op 22 juni 2004 de garantie heeft goedgekeurd. M.i. is
informed consent,wat daar verder ook van zij, niet vereist om steunverlening aan de overheid te kunnen toerekenen. Bepalend is hier of uit het gehele samenstel van aanwijzingen blijkt dat de Gemeente bij het verlenen van de garantie van 4 juni 2004 betrokken was of dat het onwaarschijnlijk is dat zij daarbij niet betrokken was. Eén van de aanwijzingen die het hof in dit kader in aanmerking heeft genomen, is het feit dat de RvC de garantie heeft goedgekeurd. Dat de RvC op dat moment kennelijk niet op de hoogte was van de volledige en ware gang van zaken rondom de garantieverlening, doet aan de gegeven goedkeuring niet af: de geldigheid van de goedkeuring wordt hierdoor immers niet aangetast (zie het slot van rov. 3.14).
informed consentzou moeten worden gehanteerd. Het zal in een concreet geval veelal niet goed doenlijk zijn te bewijzen dat alle informatie op tafel lag en (desondanks) willens en wetens met een steunmaatregel is ingestemd. [59]
de gevraagde garantstelling” uit de aard der zaak alleen kan slaan op een garantstelling door HbR (en niet op een garantie die eerder is verstrekt door GHR). En ook als het daarbij ging om een omzetting van de door GHR verleende garantie van 5 november 2003, betrof het wel degelijk een nieuwe garantie. De door Commerz genoemde omzetting heeft immers zijn beslag gekregen doordat HbR een nieuwe garantie heeft afgegeven en Commerz van de oude garantie afstand heeft gedaan.
enkele grond” buiten toepassing zouden worden verklaard en (ii) het feitencomplex in deze zaak zo uitzonderlijk is dat niet het risico bestaat dat een oordeel in deze zaak afbreuk zou doen aan de doeltreffendheid van de staatssteunregels.
mogelijkheidom controle uit te oefenen is evenwel niet voldoende om betrokkenheid van de Gemeente bij de garantieverlening aan te nemen. Daarvoor is nog iets meer vereist. Dit heeft het hof onderkend, door in rov. 3.14 te overwegen dat de Gemeente deze controle – blijkens de door de RvC gegeven toestemming – daadwerkelijk heeft uitgeoefend. Met dit in het achterhoofd is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof uit het gehele samenstel van aanwijzingen heeft afgeleid dat de Gemeente bij het verlenen van de garantie van 4 juni 2004 betrokken was of dat onwaarschijnlijk is dat zij daarbij niet betrokken was.
subonderdeel 1.2.7wijst het middel op het
Banca Tercas-arrest [60] van 19 maart 2019 van het Gerecht van de Europese Unie. Daaruit zou blijken dat niet elke feitelijke betrokkenheid van de overheid bij maatregelen voldoende is om die maatregelen aan de staat toe te rekenen. Het moet gaan om een betrokkenheid die
voldoende rechtens relevantis om die toerekening te rechtvaardigen, aldus Commerz.
alle relevante omstandighedenmoeten worden meegewogen, derhalve zowel de omstandigheden die vóór toerekening pleiten als de omstandigheden die op het tegendeel wijzen. Voor zover het hof dit heeft miskend, is zijn oordeel volgens Commerz onjuist.
Banca Tercas-arrest [61] –
elkeaanwijzing relevant heeft geacht bij het bepalen of de Gemeente hetzij betrokken is geweest bij de verlening van de garantie van 4 juni 2004 (of dat het onwaarschijnlijk is dat zij hierbij niet betrokken is), hetzij niet is betrokken geweest bij de verlening van die garantie. Het hof heeft derhalve in zijn beoordeling ook omstandigheden meegenomen die tégen toerekening pleiten.
Banca Tercas-arrest heeft geoordeeld dat de interventie van een Italiaans Bankenconsortium FICD
nietaan de Italiaanse staat was toe te rekenen. Dit zou een sterke aanwijzing vormen dat een zodanige toerekening in de onderhavige zaak al helemaal niet aan de orde kan zijn.
Banca Tercas-arrest maakt dat niet anders. FICD was een consortium van private banken, terwijl HbR een openbaar bedrijf is. Verder heeft het Gerecht in de
Banca Tercas-zaak vastgesteld dat “
er geen enkele organieke factor bestaat die het FITD verbindt aan de Italiaanse overheid”. [62] De onderhavige zaak is op het punt van de toerekenbaarheid daarom niet goed vergelijkbaar met de
Banca Tercas-zaak.
de wetenschap en informatie die partijen haddenop het moment dat tot de maatregel werd besloten, getuigt van een onjuiste maatstaf. Er dient juist aan de hand van een objectieve toets te worden beoordeeld of een maatregel, waaronder een garantie, leidt tot begunstiging van een of meer ondernemingen. Doorslaggevend is of een voordeel is verkregen dat onder normale marktvoorwaarden niet had kunnen worden verkregen door de desbetreffende onderneming. Volgens vaste rechtspraak zijn daarvoor bepalend
de gegevens die beschikbaar waren en ontwikkelingen die voorzienbaar warenop het moment dat tot de maatregel werd besloten. [64] Het Gerecht heeft dit recent bevestigd: [65]
Bouygues-arrest van het Hof van Justitie. Die zaak gaat over een aanbod van de Franse staat aan France Télécom om een kredietlijn ter beschikking te stellen (aangeduid als ‘een aandeelhoudersvoorschot’). Volgens de Commissie werd France Télécom daardoor bevoordeeld omdat de markt de indruk kreeg dat het met haar financiële situatie wel goed zat. [69] Het arrest toont aan dat handelen van de overheid tot gevolg kan hebben dat een onderneming wordt bevoordeeld door de perceptie in de markt dat de staat een bepaalde onderneming financieel overeind zal houden, ook als de staat op dat moment nog geen garantie heeft afgegeven of een andere afdwingbare verplichting is aangegaan.
Bouygues-arrest het volgende af. Nu kennelijk niet bepalend is of een garantie afdwingbaar is, doet het er dus ook niet toe of de garantie van 5 november 2003 niet rechtsgeldig was indien de partijen bij het aangaan van de garantie van 4 juni 2004 ervan zijn uitgegaan dat die (eerdere) garantie wél afdwingbaar was en ook daarnaar hebben gehandeld. Aan de hand van dat uitgangspunt zou moeten worden beoordeeld of Commerz door de nieuwe garantie is begunstigd. [70]
DHL [71] gaat niet op. In die zaak ging het om een tweetal clausules in een overeenkomst die naar Duits recht
ex tuncnietig moesten worden geacht, omdat ze – bij nader inzien – in strijd waren met de staatssteunregels. Het Gerecht oordeelde dat deze nietigheid naar Duits recht geen gevolgen kon hebben voor de verplichting de staatssteun terug te betalen, omdat – ondanks de nietigheid – de staatssteun wel was ontvangen. Volgens Commerz illustreert dit arrest dat het niet aankomt op de vraag of een overheidsgarantie rechtsgeldig is. [72]
onder (a)dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in het kader van de vraag of Commerz is begunstigd, heeft verwezen naar rov. 3.4 van het arrest van 26 april 2013 van de Hoge Raad. Die rechtsoverweging zegt namelijk niets over de vraag of Commerz door de garantie van 4 juni 2004 is begunstigd.
onder (b)dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof naar rov. 3.8.3 van het arrest van 27 mei 2016 van de Hoge Raad heeft verwezen, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de vraag of door verstrekking van een garantie sprake is van begunstigende steun moet worden beoordeeld naar het moment waarop de garantie wordt verstrekt en niet naar het moment waarop de garantie wordt aangesproken. Deze overweging ondersteunt immers het (door het hof verworpen) betoog van Commerz, omdat de eventuele niet-afdwingbaarheid van de garantie van 5 november 2003 pas bekend is geworden
nadatde garantie op 4 juni 2004 was verleend waardoor deze omstandigheid buiten beschouwing moet worden gelaten.
bij partijennooit doorslaggevend kan zijn, omdat dit te zeer afbreuk kan doen aan de doeltreffendheid van de staatssteunregels en tot willekeurige uitkomsten kan leiden.
onder (c)dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof heeft overwogen dat het feit dat er een verband bestaat tussen de garanties van 5 november 2003 en 4 juni 2004 niet van doorslaggevende betekenis is voor de vraag of sprake is van begunstiging. Commerz beroept zich erop dat A-G Keus in zijn eerste conclusie in deze zaak heeft opgemerkt dat het feit dat aan Commerz mogelijk in eerste instantie een gebrekkige garantie was afgegeven (de garantie van 5 november 2003), “
op zichzelf” nog niet maakt dat sprake is van een staatssteunrechtelijk relevante begunstiging van Commerz als zij vervolgens alsnog de gave (en economisch gerechtvaardigde) garantie kreeg waarop zij vanaf het begin al recht had. [75]
Artikel 1.
Artikel 1.
IMV 2001). Dit besluit houdt het volgende in: [78]
voorwaardelijkedelegatie van bestuursbevoegdheden, waarbij aan de delegatie bepaalde voorschriften zijn verbonden, zoals het vooraf raadplegen van een raadscommissie of een mededeling achteraf aan de raad. Een dergelijke voorwaardelijke delegatie kan er in het algemeen inderdaad niet toe leiden dat de uitoefening van de gedelegeerde bestuursbevoegdheid ongeldig wordt geacht. [81] In dit geval zijn er echter geen voorwaarden aan de delegatie verbonden, maar is de bevoegdheid tot het sluiten van borgtochtovereenkomsten aan B&W gedelegeerd onder de clausulering dat B&W alleen borgtochtovereenkomsten mag sluiten die strekken ter uitvoering van een raadsbesluit. Een dergelijke beperking is niet in strijd met de Awb of het systeem van de wet. [82]
certificates. Zij heeft daarover het volgende naar voren gebracht. Al in de kredietofferte aan RDM Vehicles werd de garantie van het havenbedrijf vermeld. Daarin was ook vermeld dat die garantie vergezeld moest gaan van een legal opinion. Na ondertekening van de garantie door [betrokkene 1] op 5 november 2003, heeft Spigthoff op 7 november 2003 een concept-opinie aan Commerz toegezonden. Daarna heeft Spigthoff op 10 november 2003 de definitieve versie opgemaakt en heeft Commerz op 11 november 2003 voor het eerst gelden uitgekeerd onder het Vehicles-krediet. Spigthoff trad op als advocaat van GHR en in de legal opinion werd bevestigd dat de in de garantie van 5 november 2003 bedoelde verplichtingen van GHR
valid, binding and enforceablewaren. Nader onderzoek van Commerz was daarom niet noodzakelijk, aldus nog steeds Commerz.
certificatevan 5 november 2003 haar tot nader onderzoek naar de bevoegdheid van [betrokkene 1] . Naar eigen zeggen kon Commerz de verwijzing naar de duikbotenovereenkomst in dat
certificateniet plaatsen en heeft zij daarom aan Spigthoff gevraagd het
certificateaan te passen. Gezien het belang van dat
certificate, dat ten grondslag lag aan de opinie van Spigthoff, komen de gevolgen van die keuze voor haar rekening. Gelet op de twijfels die de gang van zaken bij haar had behoren op te roepen, had Commerz – als hooggekwalificeerde professional – anders behoren te handelen en uiterlijk toen (rechtstreeks) met B en W in contact moeten treden om te onderzoeken of de garantieverlening binnen het mandaat van [betrokkene 1] viel. Dat geldt in het bijzonder nu in dit
certificatenaar het IMV 2001 werd verwezen en namens [betrokkene 1] zelf was opgesteld. Aan de stelling van Commerz dat B en W blijkens onder meer hun (vertrouwelijke) brief van 22 juni 2004 na het bekend worden van de garantieverlening aanvankelijk ervan uitgingen dat [betrokkene 1] “formeel” bevoegd was, en dat navraag daarom niets zou hebben opgeleverd, gaat het hof voorbij. Vaststaat dat Commerz geen navraag heeft gedaan. Commerz heeft daarmee bewust een risico genomen. Nu dat risico zich heeft geopenbaard doordat [betrokkene 1] zijn mandaat heeft overschreden en de Gemeente zich niet gebonden acht, kan Commerz dat risico niet op de Gemeente afwentelen. Commerz kan zich dus niet op schijn van volmachtverlening door toedoen van de Gemeente, of gerechtvaardigd vertrouwen beroepen. Hetgeen Commerz overigens op dit punt heeft aangevoerd, waaronder het arrest Felix-Aruba (HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZB1223), kan niet afdoen aan haar onderzoeksplicht en kan dus niet leiden tot een ander oordeel.”
subonderdeel 4.1.1betoogt Commerz dat het hof ten onrechte in rov. 3.33 heeft geoordeeld dat het risico van de overschrijding door [betrokkene 1] van zijn mandaat voor rekening van Commerz komt. Het hof heeft miskend dat het verwijt dat Commerz treft (schending van haar onderzoeksplicht) had moeten worden afgewogen tegen de (zware) verwijten die de Gemeente treffen. Zij heeft [betrokkene 1] jarenlang zijn gang laten gaan en greep niet in ondanks concrete signalen dat [betrokkene 1] garanties afgaf waartoe hij volgens de Gemeente niet bevoegd was. Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zijn oordeel onjuist althans onbegrijpelijk, omdat het hof bij een afweging tegen de door Commerz genoemde omstandigheden waarschijnlijk tot een andere beslissing zou zijn gekomen.
uitsluitendis gebaseerd op verklaringen of gedragingen van de gevolmachtigde als onbevoegd handelende persoon (hier: [betrokkene 1] ). [84]
uitsluitendis afgegaan op de opinies die het kantoor Spigthoff aan haar heeft afgegeven, die op hun beurt
uitsluitendzijn gebaseerd op de door [betrokkene 1] afgegeven
certificatesover zijn eigen bevoegdheid (zie hiervoor, 1.4). Alleen al omdat Commerz daarmee uitsluitend is afgegaan op verklaringen van [betrokkene 1] , is er geen plaats voor schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Aan een belangenafweging wordt in dat geval niet toegekomen, zoals het hof terecht heeft geoordeeld.
subonderdeel 4.1.2klaagt Commerz dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in de laatste volzin van rov. 3.33 heeft geoordeeld dat “
hetgeen Commerz overigens op dit punt heeft aangevoerd” niet aan de onderzoeksplicht van Commerz kan afdoen. De vraag of Commerz een onderzoeksplicht heeft geschonden, moet immers worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de door Commerz gestelde omstandigheden.
subonderdeel 4.2.2dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.31 heeft overwogen dat het voor rekening van Commerz komt dat zij op de opinie van Spigthoff heeft vertrouwd. Deze omstandigheid is niet te rijmen met het oordeel in rov. 3.33 dat Commerz bewust het risico heeft aanvaard dat [betrokkene 1] onbevoegd was om de garantie te verstrekken. Dat oordeel veronderstelt namelijk dat Commerz niet op de opinie van Spigthoff heeft vertrouwd, maar juist dat zij bewust het risico heeft genomen dat de garantie van 4 maart 2003 (naar ik aanneem is bedoeld: 5 november 2003) niet afdwingbaar zou zijn.
subonderdeel 4.2.3dat het oordeel van het hof in rov. 3.33 onbegrijpelijk is, omdat het hof slechts heeft overwogen dat de gang van zaken bij Commerz twijfels had behoren op te roepen, maar niet dat Commerz zodanige twijfels daadwerkelijk heeft gehad. Het hof had dit wel moeten vaststellen om tot het oordeel te kunnen komen dat Commerz bewust een risico heeft aanvaard. Indien het hof dergelijke twijfels bij Commerz wel heeft vastgesteld, is zijn oordeel nog steeds onbegrijpelijk omdat een (kenbare) motivering daarvoor ontbreekt.
nietbevoegd was om eigener beweging garanties te verstrekken van een omvang als hier aan de orde. Het krediet van € 25 miljoen zou dan niet zijn verleend en de garantie waar nu al vijftien jaar over wordt geprocedeerd evenmin.
Traghetti-arrest van het Hof van Justitie heeft verwezen. [86] De situatie in de onderhavige zaak verschilt immers wezenlijk van die zaak.
eerste lidvan art. 17 ziet Pro op de bevoegdheden van de Commissie genoemd in art. 16 van Pro de Procedureverordening: als de Commissie vaststelt dat onrechtmatige steun is verleend, besluit zij “
dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen.” Het
tweede lidvan art. 17 bevat Pro een verjaringstermijn van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de steun is verleend, welke termijn kan worden gestuit door onderzoeksmaatregelen van de Commissie of van een lidstaat. Het
derde lid, waar Commerz zich primair op beroept, bepaalt wat het rechtsgevolg is van de verjaring voor de betrokken steun: die wordt vanaf de voltooiing van de verjaring beschouwd als ‘bestaande steun’. Dat is staatssteun, waarvan de Commissie kan eisen dat die wordt aangepast of stopgezet, [88] maar die niet onder de
standstill-verplichting valt en ook niet kan worden teruggevorderd. Op bestaande steun is een specifiek procedureel regime van toepassing, dat afwijkt van de regels voor ‘nieuwe steun’.
standstill-verplichting (art. 108 lid Pro 3, laatste zin, VWEU). [89]
doch geen voorschriften bevat over de bevoegdheden en de verplichtingen van de nationale rechterlijke instanties,die geregeld blijven door de Verdragsbepalingen, zoals die door het Hof zijn uitgelegd (zie in die zin arrest van 5 oktober 2006, Transalpine Ölleitung in Österreich, C‑368/04, EU:C:2006:644, punten 34 en 35).”
Traghettibepaald dat slechts de bevoegdheden van de Commissie inzake de terugvordering van staatssteun in de tijd worden beperkt (en dus niet de bevoegdheden van de nationale rechterlijke instanties). Ik citeer:
met name” blijkt dat het Hof van Justitie zijn overwegingen niet heeft willen beperken tot de situatie waarin een concurrent een schadevordering instelt. Ook in de situatie waarin de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling voorwerp vormt van geschil bij de nationale rechter, is (thans) art. 17 Procedureverordening Pro niet van toepassing. Het feit dat ingevolge het tweede lid van art. 17 de Pro verjaring niet wordt gestuit of geschorst door (het starten van) een procedure voor de
nationalerechter, vormt daarvan mijns inziens een nadere bevestiging. [93]
garantieszelf geen handelsovereenkomsten in de zin van art 6:119a BW zijn.