AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende, een B.V., had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het beroepschrift bevatte echter niet de vereiste gronden zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 21 april 2021 via het digitale dossier en per e-mail in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen zes weken te herstellen.
Deze hersteltermijn eindigde op 2 juni 2021, maar belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Op grond hiervan heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard conform artikel 6:6 AwbPro. Er is geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Het arrest is op 10 december 2021 gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en betreft een bestuursrechtelijke en belastingrechtelijke zaak.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van de gronden binnen de gestelde termijn.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/01538
Datum10 december 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 februari 2021, nrs. 19/00774 en 19/00775 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 17/2900 en HAA 17/2901).
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.
De griffier van de Hoge Raad heeft op 21 april 2021 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na die datum te herstellen. Die termijn eindigde op 2 juni 2021. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 21 april 2021 een notificatie verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 21 april 2021. Belanghebbende heeft het hiervoor bedoelde verzuim niet hersteld. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 AwbPro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
2.Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2021.