Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
14 december 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van een personenauto aan civielrechtelijk beslag, zoals bedoeld in artikel 198 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof had geoordeeld dat er sprake was van een krachtens de wet gelegd beslag op de auto, mede op basis van verklaringen van de deurwaarder en getuigen.
In cassatie betoogt de verdachte dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld op welke wijze en op welk moment het beslag precies is gelegd, en dat niet was voldaan aan de formele vereisten van beslaglegging. De Hoge Raad overweegt dat met de woorden 'krachtens de wet' wordt bedoeld dat het beslag op de wettelijk voorgeschreven wijze moet zijn gelegd.
Het hof had wel vastgesteld dat de voorzieningenrechter verlof had verleend en dat de deurwaarder aan de betrokkenen had meegedeeld dat beslag werd gelegd, maar had geen nadere vaststellingen gedaan over de wijze en het moment van beslaglegging. Hierdoor is het oordeel van het hof dat sprake was van een krachtens de wet gelegd beslag onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.