Uitspraak
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 december 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die een machtiging tot opname en verblijf heeft verleend aan betrokkene op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd).
De kern van het geschil is of de rechtbank had moeten toetsen of de officier van justitie had nagegaan of betrokkene een wettelijk vertegenwoordiger had en zo nodig de procedure voor aanwijzing daarvan was gestart, zoals voorgeschreven in art. 28a lid 2 onder c Wzd.
De Hoge Raad stelt vast dat de officier van justitie op grond van de Wzd inderdaad moet nagaan of een wettelijk vertegenwoordiger aanwezig is en, indien nodig, een procedure starten. In deze zaak was vastgesteld dat betrokkene geen wettelijk vertegenwoordiger had en dat het aanstellen van een mentor van belang kon zijn.
Echter, de Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van deze procedure geen voorwaarde is voor het verlenen van de machtiging door de rechtbank. De waarborg voor de belangen van betrokkene ligt in de mogelijkheid van de rechter om een advocaat toe te voegen. Het beroep wordt daarom verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de machtiging tot opname en verblijf zonder toetsing van de procedure tot aanwijzing van een wettelijk vertegenwoordiger.