Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
21 december 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 april 2019. Ondanks het instellen van het beroep heeft de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat de wettelijke vereisten niet zijn nageleefd, waardoor het beroep niet in behandeling kan worden genomen.
De Hoge Raad baseert zijn oordeel op artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat cassatiemiddelen tijdig moeten worden ingediend door een advocaat. Het ontbreken hiervan leidt tot niet-ontvankelijkheid. Er is geen inhoudelijke beoordeling van de zaak zelf gegeven omdat het beroep niet ontvankelijk is verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de strafkamer van de Hoge Raad en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 21 december 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.