ECLI:NL:PHR:2021:1204

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2021
Publicatiedatum
17 december 2021
Zaaknummer
19/01971
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27a SvArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens deelname aan een criminele organisatie en medeplichtigheid aan medeplegen van het kopen van goederen zonder volledige betaling. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

De verdachte stelde cassatieberoep in, maar heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. Hierdoor is hij volgens artikel 437 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk in cassatie. De Procureur-Generaal concludeert daarom dat de Hoge Raad het cassatieberoep zal afwijzen wegens niet-ontvankelijkheid.

Er is sprake van samenhang met meerdere andere zaken, waarin ook conclusies zijn genomen. Het arrest bevestigt het belang van het tijdig indienen van middelen in cassatieprocedures en de gevolgen van het nalaten daarvan.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet-indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/01971
Zitting9 november 2021

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 5 april 2019 door het gerechtshof Amsterdam wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 2. “medeplichtigheid aan medeplegen van een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27(a) Sv. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Er bestaat samenhang met de zaken 19/01992, 19/01925, 19/01853, 19/01852, 19/01903 en 19/01897. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv Pro niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG