Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 december 2021.
Hoge Raad
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen beschikkingen van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2021 en 16 augustus 2021, betreffende toepassing van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De Hoge Raad heeft het geding beoordeeld aan de hand van de processtukken en de conclusie van de Advocaat-Generaal.
De klachten van betrokkene betroffen onder meer de mogelijke schending van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de overschrijding van de termijn zoals bedoeld in artikel 5:17 lid 1 Wvggz Pro. Ook werd aangevoerd dat de geneesheer-directeur verzuimd zou hebben het zorgplan te beoordelen en dat er verschillen zouden zijn tussen de kennisgeving van de mondelinge uitspraak en de schriftelijke beschikking.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet konden leiden tot vernietiging van de bestreden beschikkingen. Daarbij was het niet nodig om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep van betrokkene derhalve verworpen en de bestreden beschikkingen gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene is verworpen en de beschikkingen van de rechtbank Rotterdam zijn gehandhaafd.