Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
De rechter doet uitspraak, geeft aan dat de beschikking waarin de beslissing is opgenomen en gemotiveerd, snel zal worden opgestuurd, en vermeld[t] dat een door hem en de griffier ondertekend overzicht van de op verzoek van de officier van justitie door hem toegewezen onderdelen van de verplichte zorg aan zowel de advocaat en de behandelaars zullen worden toegezonden per e-mail.”
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- het opnemen in een accommodatie.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1betoogt dat de rechtbank art. 30p lid 1 en 2 Rv, art. 30 Rv Pro en art. 5 lid 1 sub e EVRM Pro heeft geschonden door aan het slot van de mondelinge behandeling mondeling uitspraak te doen hoewel de verzoeker — de officier van justitie — niet ter zitting was verschenen. Daarnaast wordt geklaagd dat de kennisgeving uitspraak verplichte zorg Wvggz slechts de beslissingen maar niet de gronden bevat.
Subonderdeel 1.2voert aan dat in strijd met art. 30p lid 2, 3 en lid 5 Rv de rechter van de mondelinge behandeling niet binnen twee weken een proces-verbaal heeft opgemaakt en ter beschikking heeft gesteld aan partijen.
Subonderdeel 1.3klaagt dat de rechter zowel mondeling als schriftelijk een zorgmachtiging heeft verleend. Dit is volgens het onderdeel in strijd met art. 30p en 30q lid 1 Rv. De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Subonderdeel 2.1klaagt – na intrekking van een deel van de klacht bij aanvullende procesinleiding – dat art. 5:17 lid 1 Wvggz Pro is geschonden, omdat de officier van justitie niet binnen vier weken zijn verzoekschrift bij de rechter heeft ingediend. Volgens
subonderdeel 2.2is daarmee ook art. 5 lid 1 sub e EVRM Pro geschonden, omdat betrokkene niet in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke procedure haar vrijheid is ontnomen.
Subonderdeel 2.3betoogt dat het oordeel onbegrijpelijk is hoe en in welke mate de door de rechtbank geconstateerde termijnoverschrijding het bestreden oordeel heeft beïnvloed.
onder 6 tot en met 6.2gewezen op de verschillen tussen enerzijds de beschikking zoals schriftelijk uitgewerkt op 12 juli 2021 en, anderzijds, het proces-verbaal en de kennisgeving die op 5 juli 2021 is uitgereikt. Volgens het onderdeel lopen deze documenten uiteen wat betreft de omschrijving van de verplichte zorg waarvoor de zorgmachtiging is verleend. De klacht houdt in dat de rechtbank art. 24 Rv Pro, het doelmatigheidsbeginsel, het beginsel van behoorlijke rechtspleging en art. 5 aanhef Pro en sub e EVRM heeft geschonden. Volgens het onderdeel heeft de rechter blijkens het proces-verbaal en naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie mondeling het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid in relatie tot medicijninname noodzakelijk geoordeeld, terwijl de rechter in de bestreden schriftelijke beschikking die beperkingen in relatie tot het gebruik van communicatiemiddelen en het opruimen van het huis noodzakelijk heeft geoordeeld.
en het opruimen van haar huis;”