Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 februari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Het hof had geoordeeld dat sprake was van een relatief geringe overschrijding van de redelijke termijn van de procedure als geheel, waardoor volstaan kon worden met louter constatering van die overschrijding zonder gevolgen te verbinden.
De Hoge Raad stelt dat het hof het beoordelingskader voor de redelijke termijn heeft miskend. Volgens vaste jurisprudentie moet de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld, waarbij in principe binnen twee jaar een einduitspraak moet worden gedaan per instantie. Het hof had echter de totale duur van de procedure als geheel als maatstaf genomen, wat niet juist is.
De Hoge Raad oordeelt dat de overschrijding van vijf maanden niet kan worden afgedaan met een enkele constatering en dat strafvermindering passend is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de straf betreft en vermindert de gevangenisstraf van 24 naar 22 maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 24 naar 22 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.