AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging arrest hof inzake onrechtmatige daad en besluitaansprakelijkheid gemeente
De zaak betreft een geschil tussen V.O.F. FIRST CLASS SPORTS (FCS) en de gemeente Rijswijk over onrechtmatige daad en besluitaansprakelijkheid. FCS stelde het hof aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een besluit van de gemeente. Na eerdere vonnissen van de rechtbank Den Haag en een arrest van het gerechtshof Den Haag werd het cassatieberoep van FCS bij de Hoge Raad behandeld.
De Hoge Raad heeft de klachten van FCS beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Er was geen noodzaak om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht volgens artikel 81 lid 1 ROPro. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de gemeente werd niet behandeld omdat het principale beroep werd verworpen.
De Hoge Raad veroordeelde FCS tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de gemeente. Hiermee werd het arrest van het hof bevestigd, waarmee de aansprakelijkheid van de gemeente werd gehandhaafd zoals eerder vastgesteld.
Uitkomst: Het cassatieberoep van FCS wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/02188
Datum24 december 2021
ARREST
In de zaak van
V.O.F. FIRST CLASS SPORTS, gevestigd te Rijswijk,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: FCS,
advocaat: P.A. Fruytier,
tegen
DE GEMEENTE RIJSWIJK, zetelende te Rijswijk,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: de Gemeente,
advocaten: N.E. Groeneveld-Tijssens en S.A.L. van de Sande.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/09/521010 / HA ZA 16-1232 van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2017 en 26 september 2018;
het arrest in de zaak 200.255.600/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 april 2020.
FCS heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van FCS heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt FCS in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien FCS deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 24 december 2021.