Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het middel in het principale beroep
Bestreden overwegingen hof
alleschade waarvan FCS vergoeding vordert in dit geding, is terug te voeren op dat besluit. Dat impliceert dat als dit wel duidelijk zou zijn geweest, zij met dat oordeel had kunnen volstaan. Deze uitkomst kan uitsluitend berusten op een toepassing van genoemde causaliteitsregel.
- Voorzover de provinciale lijst met categorieën niet was gepubliceerd, zodat daarop geen bijzondere VVGB of specifieke VVGB kon worden gebaseerd (zie hiervoor onder 2.4 f), is daarvoor in het procesdossier geen andere oorzaak naar voren gebracht dan een omissie bij de provincie. Deze omissie zou de provincie hebben hersteld snel nadat de Gemeente de provincie erop zou hebben gewezen.
- Modulus kon direct de bouwaanvraag aanpassen met betrekking tot de bruto vloeroppervlakte van 2.630 m² naar onder de grens van 2.500 m² die het REO aanhield voor toetsing van fitnesscentra. Dit kon eenvoudig en snel, want reeds ten tijde van de aanvraag (zo blijkt uit het primaire besluit) was duidelijk dat de geplande verbouwing een verbouwing betrof naar een sportschool en fitnesscentrum met een bruto vloeroppervlakte van 1.700 m².
- De voor de ontheffing in verband met de parkeervoorzieningeneis van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening benodigde grondtransactie betrof “een klein strookje” en “een nog kleiner stukje” grond van Modulus en de Gemeente zelf. Hetgeen FCS heeft gesteld houdt niets in dat erop wijst dat die grondtransactie niet vóór 12 april 2005 of in elk geval vóór 21 februari 2006 had kunnen plaatsvinden.
alledoor FCS gevorderde schadeposten zijn terug te voeren op het primaire besluit’ (cursivering in origineel). Ook de toelichting op de grief en verdere inhoud van de memorie van grieven zijn hierop gericht.
subonderdeel 3.4uitsluitend tegen genoemde vaststelling van het hof in rov. 4.1 tweede zin dat FCS zelf heeft aangevoerd dat het primaire besluit (achteraf gezien) rechtmatig was. Dat subonderdeel wijst op een aantal opmerkingen in de toelichting op grief 1. Daarvan is de eerste de belangrijkste in dit verband, namelijk dat FCS bestrijdt dat het primaire besluit op grond van het onherroepelijk worden van de vierde beslissing op bezwaar rechtmatig is. Deze opmerking heeft FCS twee keer in de toelichting gemaakt. De eerste keer zonder enige toelichting, gevolgd door de opmerkingen: “Wat hier ook van zij, dit primair besluit heeft [behoudens kosten waarvan FCS in hoger beroep geen vergoeding meer vorderde] niet tot schade voor FCS geleid.
Geenvan de door FCS gevorderde schadeposten is daarom terug te voeren op het primaire besluit” (cursivering in origineel). [26] De tweede keer na een betoog dat het hiervoor genoemde arrest […] /Rotterdam niet toepasbaar is in deze zaak omdat in dit geval het primaire besluit was geschorst en dus geen oorzaak van de schade heeft kunnen zijn. Zij vervolgt dan met de opmerking dat op de beslissing van dit arrest – dat als het primaire besluit in stand blijft in het vervolg van de bestuursrechtelijke procedure, dit besluit rechtmatig is, ook beoordeeld naar het tijdstip waarop het is genomen –, in de literatuur veel kritiek is gekomen en dat FCS die kritiek onderschrijft. Vervolgens schrijft zij echter: “Deze discussie hoeft hier echter niet gevoerd te worden. De voorliggende situatie verschilt namelijk van de situatie in het [arrest […] /Rotterdam], omdat in de voorliggende situatie de aanvrager is gaan bouwen op grond van de beslissing op bezwaar en dit de schadeoorzaak is”. [27]
subonderdeel 3.4alléén de vaststelling van het hof dat FCS (zelf) heeft aangevoerd dat het primaire besluit (achteraf gezien) rechtmatig was. Uit het voorgaande volgt dat die vaststelling niet dragend is voor de beslissing van het hof. Dragend voor die beslissing is immers dat FCS niet is opgekomen tegen genoemd oordeel van de rechtbank in rov. 4.14 (dat oordeel in hoger beroep niet heeft bestreden). Overigens vind ik genoemde vaststelling van het hof, ondanks de opmerkingen van FCS die het subonderdeel aanhaalt, niet zonder meer onbegrijpelijk. FCS heeft, zoals hiervoor bleek, uitdrukkelijk de onrechtmatigheid van het primaire besluit als grondslag voor haar vordering in hoger beroep laten varen, geen verklaring voor recht meer gevorderd dat dit besluit onrechtmatig is geweest, geen grief gericht tegen het oordeel dat het primaire besluit formele rechtskracht heeft en rechtmatig is, en al haar kaarten erop gezet dat de eerste beslissing op bezwaar de oorzaak van haar schade is geweest. Dat het hof dit heeft begrepen als dat FCS de door de rechtbank vastgestelde rechtmatigheid van het primaire besluit onderschreef, lijkt mij niet onbegrijpelijk, ondanks de opmerkingen in de memorie van grieven dat FCS het eigenlijk met genoemd oordeel niet eens is. Als gezegd, lijkt immers uit de manier waarop zij die opmerkingen heeft gemaakt, te volgen dat zij dit standpunt in hoger beroep niet ter beoordeling wil voorleggen. Met betrekking tot de vraag of zij daarmee de rechtmatigheid van het primaire besluit heeft onderschreven, lijkt me op zichzelf wel een andere lezing van haar standpunt mogelijk, maar dat maakt de lezing van het hof nog niet onbegrijpelijk.
voor zover van belangdezelfde was. In deze zin heeft het hof denk ik ook overwogen, om te beginnen al met de hiervoor al genoemde en in cassatie niet bestreden vaststelling in rov. 2.6 dat met de einduitspraak van de ABRvS onherroepelijk vaststaat dat Modulus terecht een bouwvergunning en vrijstelling heeft gekregen voor het verbouwen van de voormalige bibliotheek tot een sportschool/fitnessruimte met een bruto vloeroppervlakte van circa 1.850 m². Die vaststelling is feitelijk en mijns inziens niet onbegrijpelijk, nu Modulus, blijkens de vaststaande feiten, uiteindelijk, met de vierde beslissing op bezwaar en de daarmee gegeven, door het hof genoemde vergunning en vrijstelling, de vergunning en vrijstelling heeft gekregen die zij nodig had en waarvan zij van begin af aan slechts gebruik heeft gemaakt. In dat verband kan erop worden gewezen dat al vroeg duidelijk was dat Modulus slechts behoefte had aan een vergunning voor het vloeroppervlakte dat uiteindelijk is vergund (zie hiervoor in 2.1 onder (iii) sub d, j, l en m: de kelderruimte die was meegenomen in de oorspronkelijke aanvraag en verlening van de vergunning en vrijstelling was niet geschikt voor gebruik als sportschool, is dan ook snel buiten beschouwing gelaten bij de besluitvorming en uiteindelijk uit de aanvraag geschrapt). De aanvraag en verlening van vergunning en vrijstelling hadden hiertoe aanstonds kunnen worden beperkt, naar volgt uit het oordeel van rechtbank en hof.
subonderdelen 2.1 en 2.2falen meer in het bijzonder, omdat anders dan zij aanvoeren, het hof is uitgegaan van de juiste maatstaf – namelijk die welke wordt genoemd in de eerste alinea van rov. 3.4.2 van het UWV-arrest –, de
subonderdelen 2.3-2.6falen omdat zij uitgaan van een andere en dus onjuiste maatstaf.
subonderdelen 2.1 en 2.2wat betreft het derde oordeel van het hof feitelijke grondslag missen. Het hof is bij zijn oordeel uitgegaan van hetgeen die subonderdelen betogen, namelijk dat de beoordeling moet plaatsvinden overeenkomstig de maatstaf voor geval (b) en voor andere schade in geval (a) van het UWV-arrest.