ECLI:NL:HR:2021:212
Hoge Raad
- Cassatie
- M.E. van Hilten
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- E.F. Faase
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing teruggaaf dividendbelasting aan Oostenrijkse Privatstiftung
Belanghebbende, een Oostenrijkse Privatstiftung, verzocht om teruggaaf van dividendbelasting ingehouden op dividenden uitgekeerd door een Nederlandse BV over de jaren 2011, 2012 en 2014. De Inspecteur wees deze verzoeken af, waarna belanghebbende in hoger beroep ging. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de oprichter van de stichting, en niet de stichting zelf, de uiteindelijk gerechtigde was tot de dividenden, waardoor geen recht op teruggaaf bestond.
In cassatie betwistte belanghebbende dit uitgangspunt en stelde zij zelf als genieter van de dividenden te gelden. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwees naar eerdere jurisprudentie dat indien een derde over het vermogen van een stichting kan beschikken alsof het zijn eigen vermogen is, die derde als opbrengstgerechtigde geldt voor de dividendbelasting.
De Hoge Raad stelde vast dat het Hof op basis van de oprichtingsakte en feitelijke uitwerking terecht had geoordeeld dat de oprichter over het vermogen van belanghebbende kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Dit oordeel is niet in cassatie toetsbaar. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard en belanghebbende kreeg geen teruggaaf van dividendbelasting.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de teruggaaf van dividendbelasting aan de Oostenrijkse Privatstiftung wordt afgewezen.