Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 februari 2021.
Hoge Raad
In deze zaak is verdachte als natuurlijk persoon aansprakelijk gesteld door de Belastingdienst voor naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes die aan een rechtspersoon waren opgelegd. Pas na deze aansprakelijkstelling werd verdachte als feitelijk leidinggever gedagvaard. De verdediging stelde dat deze procedure in strijd was met het una via beginsel en het ne bis in idem beginsel, zoals neergelegd in de artikelen 5:44 en 5:50 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 243 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Het gerechtshof Amsterdam had in zijn arrest van 6 november 2019 het beroep van verdachte verworpen. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatie in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om een uitgebreide motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het hofarrest dat geen schending van het una via en ne bis in idem beginsel bevat.