ECLI:NL:HR:2021:219

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2021
Publicatiedatum
11 februari 2021
Zaaknummer
19/05087
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:44 AwbArt. 5:50 AwbArt. 243 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens schending una via en ne bis in idem beginsel in belastingzaak

In deze zaak is verdachte als natuurlijk persoon aansprakelijk gesteld door de Belastingdienst voor naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes die aan een rechtspersoon waren opgelegd. Pas na deze aansprakelijkstelling werd verdachte als feitelijk leidinggever gedagvaard. De verdediging stelde dat deze procedure in strijd was met het una via beginsel en het ne bis in idem beginsel, zoals neergelegd in de artikelen 5:44 en 5:50 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 243 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Het gerechtshof Amsterdam had in zijn arrest van 6 november 2019 het beroep van verdachte verworpen. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatie in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om een uitgebreide motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het hofarrest dat geen schending van het una via en ne bis in idem beginsel bevat.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05087
Datum16 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 november 2019, nummer 23-002740-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.W. Weehuizen, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 februari 2021.