Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Utrecht,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 februari 2021.
Hoge Raad
In deze zaak verzocht het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om verlenging van de machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een zorgaccommodatie. De rechtbank verleende een machtiging voor twee jaar op basis van een medische verklaring die was opgesteld door een specialist ouderengeneeskunde verbonden aan de zorgaanbieder van de accommodatie waar betrokkene verbleef.
Betrokkene stelde in cassatie dat deze medische verklaring niet voldeed aan de eisen van artikel 26 lid 7 van Pro de oude Wet zorg en dwang (Wzd), die voorschreef dat een dergelijke verklaring niet door een arts verbonden aan de zorgaanbieder van de verblijfslocatie mocht worden afgegeven. De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank ambtshalve had moeten constateren dat aan dit vereiste niet was voldaan, mede gelet op het grondrecht dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen buiten de gevallen bij of krachtens de wet voorzien.
Hoewel artikel 26 lid 7 Wzd Pro inmiddels is vervallen door de Wet van 7 oktober 2020, geldt dit niet retroactief voor de beschikking van de rechtbank. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland voor verdere behandeling en beslissing.
Deze uitspraak benadrukt het belang van strikte naleving van de wettelijke eisen voor medische verklaringen bij vrijheidsbeperkende maatregelen onder de oude Wzd en de rol van de rechter om dit ambtshalve te toetsen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank wegens onjuiste medische verklaring en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.