In deze zaak stond centraal of een verzoek tot verlenging van een machtiging tot voortgezet verblijf na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige machtiging, gevolgen heeft voor de duur van de nieuwe machtiging. Betrokkene, lijdend aan dementie en een neurocognitieve stoornis, verbleef in een verpleeginrichting op basis van een machtiging die op 6 juli 2020 verliep.
Het CIZ diende op 8 juli 2020 een verzoek in voor een nieuwe machtiging van twee jaar. De rechtbank verleende deze machtiging tot 24 juli 2022, ondanks dat het verzoek na het verstrijken van de vorige machtiging was ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek als opvolgend kon worden aangemerkt, maar dat de periode waarin betrokkene zonder machtiging verbleef (7 tot 24 juli 2020) in mindering moest worden gebracht op de geldigheidsduur.
De Hoge Raad vernietigde daarom het besluit van de rechtbank voor zover de machtiging tot 24 juli 2022 liep en bepaalde dat de machtiging geldig is tot 6 juli 2022. Hiermee wordt de wettelijke bescherming van betrokkene gewaarborgd en wordt aangesloten bij de bedoeling van de wetgever en eerdere jurisprudentie onder de Wet Bopz.