ECLI:NL:HR:2021:242

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2021
Publicatiedatum
16 februari 2021
Zaaknummer
19/02361
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij diefstal met braak

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij braak werd gepleegd om toegang te verkrijgen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had een gevangenisstraf van 80 dagen opgelegd.

In cassatie werden twee middelen ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel, gericht op de inhoud van het arrest, niet tot vernietiging kon leiden en geen nadere motivering behoefde. Het tweede middel betrof een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden.

De Hoge Raad achtte het tweede middel gegrond en besloot de strafduur te verminderen met 4 dagen tot 76 dagen gevangenisstraf. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de strafrechtelijke veroordeling bevestigd, maar met een aangepaste strafmaat vanwege de procedurele termijnoverschrijding.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, waarbij tevens de waarnemend griffier aanwezig was.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 80 naar 76 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02361
Datum16 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 april 2019, nummer 21-003088-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 80 dagen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 76 dagen beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 februari 2021.