ECLI:NL:PHR:2020:1259

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
12 februari 2021
Zaaknummer
19/02361
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 81.1 ROArt. 6 EVRMArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen woninginbraak met braak en diefstal van waardevolle goederen

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen met braak, waarbij zij zich toegang tot een woning verschaften en diverse waardevolle goederen meenamen, waaronder auto's, laptops, en een uniek iPad-toetsenbord. Het bewijs bestond onder meer uit DNA-materiaal op een handschoen gevonden op de plaats delict, het herkennen van het toetsenbord door de aangever, en telefonische gegevens die de verplaatsing van de daders naar Den Haag ondersteunden.

De verdediging voerde aan dat de bewijsvoering onvoldoende was, met name omdat niet duidelijk was welke bijdrage de verdachte had geleverd en de herkomst van het toetsenbord en de handschoen betwist werd. De Hoge Raad oordeelde dat de verklaringen van de verdachte en zijn raadsman te speculatief waren om afbreuk te doen aan het bewijs. Het hof had de verklaring van de verdachte over het toetsenbord gemotiveerd ongeloofwaardig geacht, mede omdat hij geen aankoopbewijs had geleverd.

De Hoge Raad stelde vast dat de bewijsvoering voldoende was om de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte aan te nemen, en dat de gevolgtrekking dat zij samen de inbraak pleegden begrijpelijk en toereikend gemotiveerd was. Het cassatieberoep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de veroordeling van het hof in stand bleef.

Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard, veroordeling tot medeplegen woninginbraak bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/02361
Zitting15 december 2020 (bij vervroeging)

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 29 april 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tachtig dagen, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft ook beslist over de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest is omschreven.
Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] , nr. 19/02313, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt over de bewijsvoering. Aangevoerd wordt dat “de bewezenverklaring niet (in voldoende mate) uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen althans de bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.” Meer in het bijzonder richt het middel zich tegen het bewezenverklaarde “tezamen en in vereniging”. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt niet, zo wordt aangevoerd, “welke intellectuele en/of materiele bijdrage” de verdachte “zou hebben geleverd noch op welke wijze die bijdrage alsdan een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte(n) zou hebben opgeleverd.”
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 22 december 2013 tot en met 25 december 2013, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een toetsenbord van een iPad en een aantal (8) laptops en mappen met statuten en een kist met flessen wijn en overschrijvingsbewijzen van een BMW X5 en een Lambretta scooter en een hoeveelheid (elektrisch) gereedschap en een tv en een computer en een aktentas en een magnetron (Siemens) en een WII met spellen en een leren voetbal (de Graafschap) en een aantal (8) horloges en sleutels en een BMW 520d en een Porsche Carera toebehorende aan [aangever] en/of [A] en/of [B] N.V., waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”
6. De bewezenverklaring rust op de bewijsvoering die ik zal weergeven nadat ik heb aangegeven dat het hof daarmee ook een uitdrukkelijk onderbouwde standpunt heeft weerlegd. Aan het ter terechtzitting ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, dat de verdachte moet worden vrijgesproken, is ten grondslag gelegd dat de kenmerken van het toetsenbord, dat bij de verdachte thuis is aangetroffen, onvoldoende onderscheidend zijn om te kunnen aannemen dat het toebehoort aan [aangever] , en het feit dat de verdachte niet weet hoe zijn handschoen in de woning van [aangever] is terechtgekomen.
7. De overweging met betrekking tot het bewijs, luidt als volgt:

Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de bewijsmiddelen zowel afzonderlijk als in samenhang bezien onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De raadsman stelt dat de kenmerken van het toetsenbord onvoldoende onderscheidend zijn om te kunnen aannemen dat het toetsenbord toebehoort aan aangever. Voorts stelt de raadsman dat verdachte niet weet hoe zijn handschoen in de woning van aangever terecht is gekomen.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de hieronder genoemde bewijsmiddelen.
Aangever [aangever] , wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] , heeft op 26 december 2013 aangifte gedaan. Hij verklaart dat hij op 22 december 2013 met zijn echtgenote en twee kinderen op vakantie is gegaan. Op 25 december 2013 werd aangever door de politie gebeld dat er in zijn woning was ingebroken. Aangever is naar huis gegaan en eenmaal thuis aangekomen zag hij dat een ruit van de tuindeur was ingeslagen met een grote betonnen bloempot. Toen aangever vervolgens door zijn woning liep, zag hij dat in elke ruimte van de woning lades en kasten geopend waren. Aangever zag in het verwarmingshok waar de kluis stond, dat de achterkant van de kluis opengeslepen was. Uit de kluis zijn de autosleutels en reservesleutels gestolen van de twee auto’s die zijn weggenomen: een grijze BMW, type 520d, voorzien van kenteken [kenteken 1] en een grijze Porsche 911 Carrera, voorzien van kenteken [kenteken 2] . Tevens zijn uit de kluis acht laptops van diverse merken, drie mappen met daarin statuten van B.V.’s, een kist wijn met zes flessen Barolo, de overschrijvingsbewijzen van een BM X5 (kenteken [kenteken 3] ), en van een Lambretta scooter (kenteken [kenteken 4] ) weggenomen. Uit de kelder zijn meerdere gereedschappen en een tv-scherm gestolen. Aangever mist onder meer twee gereedschapskisten met handgereedschappen, twee boormachines, een decoupeerzaag, een vlakschuurmachine. Uit het kantoorgedeelte zijn een vaste computer met beeldscherm en een witte aktetas weggenomen. Uit de keuken is onder meer een magnetron van het merk Siemens ontvreemd en uit de woonkamer een toetsenbord van een iPad. Uit de speelkamer is voorts een WII-apparaat met zes spellen ontvreemd en uit de slaapkamer van een van de kinderen een leren voetbal van De Graafschap. Tevens zijn uit de woning acht horloges ontvreemd.
Verbalisant [verbalisant] heeft op 25 december 2013 een sporenonderzoek in de woning verricht. Verbalisant relateert dat men via een gat in de linker terrasdeur de woning heeft betreden. Op de natuurstenen keukenvloer bleven schoensporen, in de vorm van een gangspoor, achter van tenminste drie verschillende hoofdprofielen. De gehele woning is door de daders doorzocht. Op de begane grond bleef in de keuken van de kantoorafdeling een daderhandschoen achter. Deze handschoen werd veiliggesteld en door het NFI onderzocht. Bemonstering aan de binnenzijde van de handschoen levert een match op met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] . De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.
Hierop is de woning van verdachte [verdachte] aan de [b-straat 1] te [plaats] doorzocht. Door de rechter-commissaris is daarbij onder meer een wit toetsenbord van het merk Apple in beslag genomen. Dit toetsenbord werd aan aangever [aangever] getoond en hij herkende het toetsenbord, behorend bij een iPad als zijn eigendom. Hij herkende het toetsenbord aan het feit dat aan de rechterkant van het toetsenbord de toetsen ‘zwaarder’ gingen dan de rest van de toetsen, omdat daar ranja overheen was gevallen, waardoor deze enigszins bleven ‘kleven’. Dat was proefondervindelijk bij het inbeslaggenomen toetsenbord ook het geval en maakte het toetsenbord voorde aangever ‘uniek’.
Op 28 december 2013 werden – na melding van een onbekend gebleven persoon – diverse goederen, afkomstig van de woninginbraak verregend aangetroffen langs een fietspad nabij hectometerpaal 25.0.van de Rijksweg A-12 in de richting van Den Haag. Bij deze aangetroffen goederen bleek een opzegging van een huurovereenkomst te zitten betreffende de huur van een box bij de firma [C] te [plaats], welke niet van aangever [aangever] was. Op deze opzegging van de huurovereenkomst, stond als naam vermeld ‘ [medeverdachte] ’ en de huurovereenkomst betrof de huur van een box met nummer [001] . De huur zou met ingang van 30 december 2013 worden beëindigd. Hierop werden de identiteitsgegevens van de huurder van de betreffende box met het nummer [001] van de periode tot 30 december 2013 gevorderd. Door de firma [C] werden de gegevens verstrekt. Uit deze verstrekte gegevens bleek dat de betreffende box met het nummer [001] gedurende de periode van 5 oktober 2013 tot 2 januari 2014 was verhuurd aan [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982. Tevens bleek uit de verstrekte gegevens dat [medeverdachte] bereikbaar was op het telefoonnummer [telefoonnummer] .
Hierop werden de historische verkeersgegevens van nummer [telefoonnummer] over de periode 1 december 2013, 0:00 uur tot en met 1 januari 2015, 23:59 uur gevorderd. Uit het systeem bleek dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op 23 december om 22.57.47 uur, werd gebeld. De verbinding van het gesprek door het toestel met nummer [telefoonnummer] vond plaats via een zendmast met als locatiegegevens [c-straat] te [plaats] . Het laatste gesprek voor dit gesprek vond plaats op 23 december om 20:30:44 uur. Het gesprek na dit gesprek vond plaats op 24 december 2013 om 01:45:46 uur. Tijdens die gesprekken is er verbinding met een zendmast op een paallocatie in ’s-Gravenhage.
Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij [medeverdachte] kent uit de buurt waar verdachte woont en dat het klopt dat hij een keer met [medeverdachte] in een auto is aangetroffen.
Uit een mutatie van 15 januari 2014 blijkt dat verdachte zich samen met [medeverdachte] en een derde persoon in een auto bevond.
Gelet op het voorgaande, in onderling(e) verband en samenhang bezien, acht het hof het boven redelijke twijfel verheven dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] betrokken is geweest bij de ten laste gelegde woninginbraak. Gelet op de plek waar de papieren zijn aangetroffen (langs de A12 richting Den Haag) en de verplaatsing van het telefoonnummer van [medeverdachte] van [plaats] naar Den Haag, zijn er aanwijzingen dat de daders zich na de woninginbraak hebben verplaatst naar Den Haag. Verdachte woont in [plaats] en is een kennis van [medeverdachte] . Voorts is op de plaats delict een handschoen aangetroffen met daarin DNA-materiaal dat overeenkomt met dat van verdachte, tenslotte is in de woning van verdachte een toetsenbord aangetroffen dat door aangever is herkend als een toetsenbord dat tijdens de inbraak is weggenomen. Ter zitting van het hof heeft verdachte verklaard dat het toetsenbord niet van aangever, maar van hem is en dat hij dat ooit heeft gekocht. Verdachte die van het begin af aan is geconfronteerd met het gegeven dat het toetsenbord door aangever is herkend, heeft echter nooit pogingen gedaan om te onderbouwen (bijvoorbeeld door het overleggen van een aankoopbon) dat het bij hem aangetroffen toetsenbord een ander is dan het gestolen toetsenbord. Gelet op de specifieke details van het toetsenbord aan de hand waarvan dit door aangever is herkend, acht het hof de verklaring van verdachte (ook) op dit punt niet geloofwaardig.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem primair tenlastegelegde heeft begaan.”
8. In cassatie wordt aangevoerd dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet blijkt “welke intellectuele en/of materiele bijdrage” de verdachte “zou hebben geleverd noch op welke wijze die bijdrage alsdan een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte(n) zou hebben opgeleverd.” Het hof zou niets hebben “vastgesteld of overwogen ten aanzien van een eventuele rol of bijdrage van verdachte, de (intensiteit van) de samenwerking of de onderlinge taakverdeling.” Bovendien worden bezwaren aangevoerd tegen een drietal onderdelen van de bewijsvoering. Het gaat daarbij om bezwaren tegen twee vaststellingen van het hof waarop de bewijsvoering berust, te weten de verplaatsing van de daders van [plaats] naar Den Haag en het bij de verdachte thuis aantreffen van een bij de inbraak ontvreemd iPad toetsenbord. Het andere onderdeel van de bewijsvoering waartegen in cassatie bezwaren worden aangevoerd, betreft het gebruik voor het bewijs van een op de plaats delict aangetroffen handschoen met daarin DNA-materiaal van de verdachte. Ik begin met de bespreking van de bezwaren tegen onderdelen van de bewijsvoering.
9. Met betrekking tot de handschoen met daarin DNA-materiaal van de verdachte, die is aangetroffen op de plaats delict, wordt aangevoerd dat dit niet redengevend kan zijn voor de bewijsvoering gelet op de verklaringen die de verdachte daarover naar voren heeft gebracht en wat de raadsman ter terechtzitting heeft opgemerkt. Ter terechtzitting heeft de verdachte namelijk, zo wordt aangevoerd, verklaard dat “hij niet weet hoe zijn DNA is gekomen op die handschoen maar dat hij wel handschoenen gebruikt en dat het kan zijn dat hij de onderhavige handschoen is verloren en/of door een ander is gebruikt ten tijde van het begaan van de inbraak.” Ook wijst de verdachte erop dat hij in een postsorteercentrum werkte: “Misschien ben ik die handschoen daar of onderweg ergens kwijtgeraakt.” Bovendien heeft de raadsman van de verdachte in zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnota opgemerkt dat de rechtbank weliswaar als steunbewijs heeft gebruikt het feit dat de verdachte de medeverdachte [medeverdachte] kent, maar dat dit feit “ook een verklaring [kan] zijn voor het feit dat de handschoen van cliënt op de plaats delict is aangetroffen indien uw hof aanneemt dat medeverdachte [medeverdachte] betrokken is bij de woninginbraak”. Hierin “ligt besloten”, zo wordt in cassatie aangevoerd, “de mogelijkheid dat de medeverdachte een handschoen van requirant tot zich heeft genomen en die heeft gebruikt danwel dat DNA is overgedragen op de handschoen omdat beiden elkaar kennen en wellicht DNA door een contact is overgedragen.”
10. Wat is aangevoerd door en namens de verdachte zijn mogelijke verklaringen voor het aantreffen op de plaats delict van een handschoen met daarin DNA-materiaal van de verdachte. Er zijn oneindig veel verklaringen te bedenken waarom de handschoen van de verdachte is aangetroffen op de plaats delict, maar al die verhalen staan er voor het hof niet aan in de weg om – tegen de achtergrond van de overige bewijsmiddelen – de meest waarschijnlijke verklaring te kiezen, namelijk dat de verdachte die handschoen daar heeft achtergelaten toen hij zich met [medeverdachte] op dievenpad had begeven. Wat de verdachte en zijn raadsman hebben geopperd, is te algemeen en te speculatief om afbreuk te doen aan de redengevendheid voor het bewijs van de op de plaats delict aangetroffen handschoen van de verdachte met daarin zijn DNA-materiaal. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat wat ter terechtzitting bij de rechtbank zou zijn aangevoerd en waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan, geen afbreuk kan doen aan de beslissing van het hof omdat dit dan aan het hof had moeten worden voorgelegd. Dat zich in de handschoen ook celmateriaal bevond van ten minste één andere persoon dan de verdachte, zoals in eerste aanleg namens de verdachte naar voren is gebracht, doet niets af aan de vaststelling dat op de plaats van het delict een handschoen van de verdachte is aangetroffen.
11. Dan de vaststelling van het hof, dat het iPad toetsenbord toebehoorde aan [aangever] en niet aan de verdachte waar het toetsenbord thuis is aangetroffen. Aangevoerd wordt dat de overwegingen van het hof die daarop betrekking hebben, “niet zonder meer begrijpelijk en redengevend zijn in het licht van de verklaring van [de verdachte] dat het zijn toetsenbord is dat hij ooit heeft gekocht.” Het hof heeft in zijn bewijsoverweging aangeven dat en waarom het de verklaring van de verdachte over de herkomst van het toetsenbord “niet geloofwaardig” acht. In cassatie wordt aangevoerd dat die overweging niet zonder meer begrijpelijk is en wordt daartoe een beroep gedaan op de verklaring van de verdachte die het hof gemotiveerd ongeloofwaardig heeft geacht. Door een verklaring te herhalen, zoals de verklaring van de verdachte dat hij het toetsenbord heeft gekocht, wordt die verklaring niet alsnog geloofwaardig of waar [1] en het tegenovergestelde oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Aangevoerd wordt dat het hof de bewijslast heeft omgekeerd door van de verdachte een “aankoopbon of enig ander stuk” te vragen. Dit berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft overwogen dat de verdachte van het begin af aan is geconfronteerd met het gegeven dat het toetsenbord door de aangever is herkend, terwijl hij “nooit pogingen gedaan [heeft] om te onderbouwen (bijvoorbeeld door het overleggen van een aankoopbon) dat het bij hem aangetroffen toetsenbord een ander is dan het gestolen toetsenbord.” Het niet overleggen van een aankoopbon is dus gebruikt als voorbeeld waarmee de verdachte zijn stelling had kunnen onderbouwen om tegengewicht te kunnen bieden tegen de gemotiveerde herkenning van het toetsenbord door de aangever.
12. Ook het beroep op een arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2016 faalt. In dat arrest is overwogen dat aan “het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen” niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook heeft gestolen. [2] De bewijsvoering van het medeplegen van gekwalificeerde diefstal berust in deze zaak niet op “het enkele voorhanden hebben” van een gestolen iPad toetsenbord.
13. Het derde bezwaar tegen de bewijsvoering heeft betrekking op de vaststelling door het hof dat de verdachte zich tezamen met zijn medeverdachte [medeverdachte] van [plaats] naar Den Haag heeft verplaatst. Daarbij heeft het hof zich onder meer gebaseerd op het gegeven dat de verdachte en [medeverdachte] beiden in [plaats] wonen en elkaar uit de buurt kennen en enkele weken na de woninginbraak door de politie samen in een auto zijn aangetroffen. Aangevoerd wordt dat deze “vaststellingen” bezwaarlijk (mede) redengevend kunnen zijn voor de bewezenverklaring omdat “uit de bewezenverklaring [bedoeld zal zijn: de bewijsvoering, AG] volgt dat hij [de verdachte, AG] de medeverdachte kent uit de buurt waar hij woont en het Hof niets heeft vastgesteld over de aanwezigheid van [de verdachte] tijdens de bedoelde verplaatsing van de daders na de woninginbraak naar Den Haag.”
14. Het hof heeft aan enkele in de bewijsvoering vastgestelde feiten, de gevolgtrekking verbonden dat de verdachte tezamen met de medeverdachte [medeverdachte] , na de gezamenlijk uitgevoerde woninginbraak, van [plaats] naar Den Haag zijn gereden. Een dergelijke gevolgtrekking kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden onderzocht. [3] Onbegrijpelijk is die gevolgtrekking niet.
15. Wat ik tot nu toe heb opgemerkt bij de bespreking van klachten tegen onderdelen van de bewijsvoering, betekent voor de bewijsvoering het volgende. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zelf aanwezig is geweest in de woning in [plaats] waar is ingebroken, en dat hij tezamen met zijn medeverdachte [medeverdachte] na afloop naar Den Haag is gereden terwijl in de woning van de verdachte vervolgens een bij die woninginbraak gestolen toetsenbord is aangetroffen. Het kennelijke oordeel van het hof, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte en [medeverdachte] de diefstal gezamenlijk hebben uitgevoerd en derhalve zo nauw en bewust hebben samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van de bewezenverklaarde diefstal, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
16. Het middel faalt klaarblijkelijk. Dit betekent dat het cassatieberoep op grond van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hieraan doet niet af dat in het tweede middel wordt geklaagd over schending van het recht om in cassatie te worden berecht binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM doordat de stukken van het geding op 13 mei 2020 bij de griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen terwijl op 13 mei 2019 beroep in cassatie is ingesteld. [4]
17. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. L. Caroll,
2.HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
3.HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, r.o. 3.3: “In cassatie kan niet worden onderzocht of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden juist zijn. Dat geldt ook voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht.”
4.Vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005,