Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onjuist doen van vijf aangiften omzetbelasting door Stichting [A] in de periode 2013-2016. Het hof verklaarde deze feiten bewezen en legde straf op. Daarnaast hield het hof bij de strafoplegging rekening met 39 andere onjuiste aangiften omzetbelasting uit de periode 2005-2010 die niet aan verdachte ten laste waren gelegd, omdat het hof dit als omstandigheden beschouwde waaronder de bewezenverklaarde feiten waren begaan.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie dat het mogelijk is om bij strafoplegging rekening te houden met niet ten laste gelegde feiten, mits deze feiten ad informandum zijn toegevoegd, aannemelijk is dat verdachte deze feiten heeft begaan, of deze feiten een omstandigheid vormen waaronder het bewezenverklaarde is begaan. In deze zaak oordeelt de Hoge Raad echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de niet ten laste gelegde aangiften daadwerkelijk onjuist waren en dat verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.
Het hof baseerde zich op overeenkomsten in het fraudepatroon en de confrontatie van verdachte met deze feiten in het vooronderzoek, maar het proces-verbaal en het verhandelde ter terechtzitting bieden volgens de Hoge Raad onvoldoende bewijs om deze niet ten laste gelegde feiten mee te wegen bij de strafoplegging.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling en afdoening. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.