Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot Wajong-gelden en subsidies.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waarvan de Hoge Raad de meeste klachten verwierp zonder inhoudelijke motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Wel werd het vierde cassatiemiddel gegrond verklaard, omdat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door te late verzending van stukken door het hof.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de taakstraf van 120 naar 114 uren, en de vervangende hechtenis van 60 naar 57 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 2 maart 2021.
Uitkomst: De taakstraf werd verminderd naar 114 uren en de vervangende hechtenis naar 57 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.