ECLI:NL:HR:2021:297
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake aanslag inkomstenbelasting 2012
Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2012, inclusief de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. Na eerdere procedures, waaronder een arrest van de Hoge Raad in 2018 dat leidde tot verwijzing naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, heeft het hof op 30 januari 2020 uitspraak gedaan.
Belanghebbende stelde tegen deze uitspraak beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde meerdere middelen aan. De Staatssecretaris diende een verweerschrift in, waarop belanghebbende een conclusie van repliek indiende. De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk, omdat de beoordeling van de middelen geen vragen betreft die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.