Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
5.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor een verkeersongeval waarbij twee inzittenden zijn overleden en rijden onder invloed. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden en opgelegd om schadevergoedingen te betalen aan de slachtoffers. Bij gebreke van betaling had het hof vervangende hechtenis toegepast.
De verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, waaronder de motivering van getuigenverklaringen, de bewijskracht van zijn eigen verklaringen, en de toepassing van vervangende hechtenis in de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de getuigenverklaringen en het bewijs niet tot vernietiging konden leiden.
Wel werd geoordeeld dat de toepassing van vervangende hechtenis in de schadevergoedingsmaatregel onjuist was. De Hoge Raad vernietigde dit deel van het hofarrest en bepaalde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro. Tevens werd het beroep gegrond verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van dertig naar achtentwintig maanden.
De Hoge Raad verwierp het beroep voor het overige en bevestigde daarmee de overige onderdelen van het hofarrest.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 28 maanden en gijzeling kan in plaats van vervangende hechtenis worden toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel.