Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een gewoontewitwassenzaak. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een subsidiaire hechtenis van 90 dagen. De advocaat-generaal adviseerde tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest, specifiek over de strafmaat.
De Hoge Raad beoordeelde twee cassatiemiddelen. Het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege te late verzending van stukken door het hof.
De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en vernietigde het arrest gedeeltelijk. De taakstraf werd verminderd van 180 naar 171 uur en de vervangende hechtenis van 90 naar 85 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de straf aangepast in lijn met de gebruikelijke maatstaf voor termijnoverschrijding.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarbij de waarnemend griffier aanwezig was. Dit arrest bevestigt het belang van tijdige procedurele afhandeling in strafzaken en de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd naar 171 uur en de vervangende hechtenis naar 85 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.