Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelis gericht tegen de veroordeling ter zake van gewoontewitwassen en bevat twee klachten. De eerste klacht luidt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed omdat het hof slechts heeft geoordeeld dat de verdachte geen verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijke verklaring heeft gegeven voor het verschil tussen zijn bekende (legale) inkomsten en zijn hogere uitgaven zonder vast te stellen of te overwegen dat het niet anders kan zijn dan dat de bij de verdachte aangetroffen goederen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
- Bollamp zwart
Lederen hoekbank € 6.300,-
vluchten Marokko
Ik heb wel eens geld aan [verdachte] uitgeleend. Hij kwam een keer bij mij omdat hij zijn huur niet kon betalen. Dat heeft hij niet terugbetaald. Ik heb ook geld uitgeleend voor het opknappen van zijn woning. [verdachte] had zelf geen geld voor de bouwmaterialen. Tot op heden heb ik dat geld niet teruggekregen van [verdachte] .
Het hof stelt tenslotte vast dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2019 heeft verklaard dat zijn vader een belangrijk deel van de geleende geldbedragen inmiddels heeft terugbetaald , maar dat zijn verklaring ook in zoverre door hem niet met stukken dan wel anderszins is gestaafd.
NJ2019/298, m.nt. Rozemond heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak over het bewijs dat een misdrijf “afkomstig is uit enig misdrijf” als bedoeld in de witwasbepalingen als volgt samengevat:
op voorhandhoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft verschaft, naar die verklaring nader onderzoek is gedaan. Het hof heeft de resultaten van dat onderzoek betrokken in zijn oordeel dat ondanks de verklaring van de verdachte bewezen kan worden dat (het niet anders kan zijn dan dat) de in de tenlastelegging vermelde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Aldus heeft het hof met betrekking tot het bewijs dat het voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” geoordeeld aan de hand van het daarvoor geldende beoordelingskader en heeft het hof niet miskend dat van de verdachte pas een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verwacht als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden van afkomst uit enig misdrijf rechtvaardigen.
tweede middelbehelst de klacht dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden, nu de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden doordat het hof de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad heeft gezonden.