Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de politierechter te Lelystad, waarbij de verdachte was veroordeeld voor vernieling gepleegd op 14 maart 2020. De politierechter legde een taakstraf van 24 uren op, met een subsidiaire hechtenisstraf en een voorwaardelijke proeftijd.
De advocaat-generaal diende een aanvraag tot herziening in op grond van een nieuw gegeven: de vader van de verdachte, als klachtgerechtigde, had zijn eerder ingediende klacht tijdig ingetrokken op 20 maart 2020. Deze intrekking was echter niet bekend bij de politierechter tijdens de terechtzitting, doordat het proces-verbaal abusievelijk niet in het dossier was opgenomen.
De Hoge Raad oordeelde dat dit nieuwe gegeven, zoals bedoeld in artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro, het ernstige vermoeden wekt dat het onderzoek anders had kunnen verlopen, namelijk met een niet-ontvankelijkverklaring van het OM. Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond, vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte wegens tijdige intrekking van de klacht.