ECLI:NL:PHR:2021:52
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering tot herziening wegens niet-ontvankelijkheid OM bij klachtdelict vernieling
De zaak betreft een vordering tot herziening van een onherroepelijke uitspraak van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, waarbij de veroordeelde werd veroordeeld voor vernieling van een schuifpui en luxaflex van de woning van zijn ouders.
De vader van de veroordeelde had op 14 maart 2020 aangifte gedaan van vernieling, maar trok de klacht tijdig in op 20 maart 2020. Het proces-verbaal van deze intrekking werd echter abusievelijk niet in het strafdossier opgenomen. Hierdoor werd de zaak door het openbaar ministerie voortgezet en veroordeelde de politierechter de veroordeelde bij verstek tot een taakstraf.
Na onherroepelijkheid van het vonnis werd de intrekking van de klacht alsnog onder de aandacht gebracht, waarna de hoofdofficier van justitie verzocht om een vordering tot herziening in te dienen bij de Hoge Raad. De procureur-generaal stelt dat indien de intrekking bekend was geweest, het OM niet-ontvankelijk verklaard zou zijn in de vervolging.
De vordering tot herziening strekt tot vernietiging van de uitspraak en niet-ontvankelijkverklaring van het OM, waarbij de Hoge Raad wordt geadviseerd de zaak zelf af te doen zonder verwijzing. Het betreft een klachtdelict waarbij vervolging alleen op klacht mogelijk is, en de klacht was tijdig ingetrokken volgens de wettelijke bepalingen.
Uitkomst: De uitspraak van de politierechter wordt vernietigd en het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.