Uitspraak
beiden wonende in de Verenigde Staten van Amerika,
gevestigd te Doetinchem,
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 maart 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was om een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige te gelasten, terwijl de vader en stiefmoeder in de Verenigde Staten van Amerika wonen. De zaak betrof tevens de toepassing van artikel 11 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996.
De vader en stiefmoeder hadden tegen de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld. De Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland, locatie Arnhem, was verweerster in cassatie. De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland was als belanghebbende aangemerkt maar heeft niet deelgenomen aan het geding.
De Hoge Raad heeft de klachten van de vader en stiefmoeder beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en daarmee de beschikking van het hof bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Sieburgh, ter Heide en in het openbaar uitgesproken door Kroeze op 5 maart 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader en stiefmoeder wordt verworpen en de beschikking van het hof bekrachtigd.