In deze zaak hebben meerdere vennootschappen gezamenlijk cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de opzegging van hun bankrelatie door ING Bank werd bevestigd. De procedure betrof een financieelrechtelijke kwestie over de vraag of de bank gerechtigd was de relatie op te zeggen.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere vonnissen van de voorzieningenrechter en arresten van het hof Amsterdam. Na beoordeling van de klachten over het arrest van het hof concludeert de Hoge Raad dat deze klachten niet tot vernietiging kunnen leiden.
De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep wordt verworpen en de eiseressen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
De uitspraak is gedaan door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer M.J. Kroeze op 5 maart 2021.