Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het zesde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
4.Beslissing
16 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot oplichting. De Hoge Raad beoordeelde zes cassatiemiddelen, waaronder ontvankelijkheid van het OM, onderzoeksverzuimen, bewijsgebruik van stemherkenning en getuigenverklaringen, medeplegen en motivering van de strafoplegging. Geen van deze middelen leidde tot vernietiging van het arrest.
Een zevende middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege late toezending van stukken door het hof. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond, maar vond gezien de opgelegde straf van acht maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en de mate van overschrijding, geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg dan de constatering van overschrijding.
De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 16 maart 2021.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling medeplegen poging tot oplichting met acht maanden gevangenisstraf.