ECLI:NL:HR:2021:381

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2021
Publicatiedatum
12 maart 2021
Zaaknummer
19/02224
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 81 lid 1 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen poging tot oplichting en oordeelt over redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot oplichting. De Hoge Raad beoordeelde zes cassatiemiddelen, waaronder ontvankelijkheid van het OM, onderzoeksverzuimen, bewijsgebruik van stemherkenning en getuigenverklaringen, medeplegen en motivering van de strafoplegging. Geen van deze middelen leidde tot vernietiging van het arrest.

Een zevende middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege late toezending van stukken door het hof. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond, maar vond gezien de opgelegde straf van acht maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en de mate van overschrijding, geen aanleiding voor een ander rechtsgevolg dan de constatering van overschrijding.

De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie en bevestigt daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 16 maart 2021.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling medeplegen poging tot oplichting met acht maanden gevangenisstraf.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/02224
Datum16 maart 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 april 2019, nummer 22-003507-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te ’sGravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste tot en met het zesde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 maart 2021.