Conclusie
eerstemiddel klaagt dat het hof het openbaar ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in het ingestelde hoger beroep, althans zijn beslissing dat het openbaar ministerie in dat beroep kan worden ontvangen niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. In dit verband wordt aangevoerd dat het hoger beroep blijkens de van de instelling daarvan opgemaakte akte is gericht tegen een niet bestaand vonnis, althans dat de akte een onjuiste vonnisdatum vermeldt. Ook zou ’s hofs oordeel dat het als getuige horen van de griffiemedewerker die de akte heeft opgemaakt en de officier van justitie die het beroep heeft ingesteld niet noodzakelijk is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep niet (voldoende) begrijpelijk zijn gemotiveerd.
09/650051-12
15/1261
24 juni 2015kwam ter griffie van deze rechtbank
Den Haag,
[verdachte]
[geboortedatum] 1983te
[geboorteplaats]
[plaats]
[m-straat 2]
Meervoudige kamerin deze rechtbank op
19 juni 2015.’
Preliminair:De verdediging is van oordeel dat de officier van justitie (OvJ) niet ontvankelijk (NO) dient te worden verklaard in het hoger beroep. Door de officier van justitie is hoger beroep ingesteld tegen een vonnis gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank gewezen op 19 juni 2015. Het in de zaak van cliënte gewezen vonnis dateert echter van 12 juni 2015. Indien door het openbaar ministerie (OM) op onjuiste wijze hoger beroep wordt ingesteld, kan blijkens jurisprudentie niet zondermeer worden uitgegaan van een kennelijke vergissing.
in alle zakenmede dat het hof geen reden heeft te twijfelen aan het feit dat door de officier van justitie tijdig appel is ingesteld. Nader onderzoek acht het hof op dit punt niet noodzakelijk. Het verzoek tot het horen van de officier van justitie en de griffier wordt bijgevolg afgewezen.’
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
19juni 2015 op de onderliggende akte rechtsmiddel en dat zij hier voor zichzelf enige conclusie aan heeft verbonden, is overigens niet gesteld, terwijl de verdediging evenmin heeft aangevoerd in welk rechtens te respecteren belang de verdachte door vermelding van die onjuiste vonnisdatum zou zijn geschaad.
NJ2008/22 sprake in een geval waarin het parketnummer van de zaak en de opgelegde straf aan de verdachte bekend waren. Een lezing van de wet die het rechtsgeldig aanwenden van rechtsmiddelen slechts mogelijk acht bij vermelding van de datum waarop het vonnis of arrest gewezen is, zou de verdachte in dergelijke situaties voor grote problemen stellen. Al met al kan uit het geldend recht worden afgeleid dat het bij de aanwending van gewone rechtsmiddelen geen strikt vereiste is dat de (juiste) dag wordt vermeld waarop de beslissing gewezen is. Daar komt het volgende bij.
NJ2006/161, rov. 3.7, dat het hof als zijn oordeel tot uitdrukking had gebracht dat, waar in de appelakte – die door de griffier van de rechtbank te Rotterdam was opgemaakt van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep – gewag werd gemaakt van 'de Meervoudige Kamer in deze rechtbank', sprake was van een evidente misslag en dat voor 'deze rechtbank' de Rechtbank te Haarlem diende te worden gelezen. [5] Dat oordeel was volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk. Het leende zich vanwege zijn feitelijke aard niet voor verdere toetsing in cassatie. [6]
tweedemiddel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op verzoeken tot het horen van getuigen en/of het toevoegen van stukken en/of andere onderzoekswensen, dan wel deze verzoeken zonder toereikende motivering heeft afgewezen.
alle zakenhet volgende mede. De behandeling van alle zaken zal voor onbepaalde tijd worden aangehouden.
15 december 2016de gelegenheid om schriftelijk te reageren op de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie.
15 januari 2017schriftelijk te reageren op de alsdan door de verdediging ingediende schriftelijke stukken.’
,geboren op [geboortedatum] 1983, wonende te [plaats] , doe ik u hierbij, met referte aan hetgeen aan de orde is geweest ter zitting van 15 november 2016, toekomen mijn nadere toelichting op de reeds door mij bij brief van 3 november 2016 opgegeven onderzoekswensen. Deze toelichting is een aanvulling op hetgeen reeds door mij aan toelichting is verstrekt in voormelde brief aan uw Hof en Advocaat-Generaal (A-G) d.d. 3 november 2016.
delenuit het onderzoek […] . De verdediging beschikt nog steeds niet over het
volledigdossier […] . In de stukken waar de A-G naar verwijst, is bijvoorbeeld niet terug te lezen waar mr. Kerkhoven van wordt verdacht en om welke redenen. Ook de tenlasteleggingen van de raadslieden zijn hier niet bij gevoegd.
(BFK: 15)november 2016 en 30 maart 2017 gedane onderzoekswensen zullen worden medegedeeld.
alle zakenhet volgende mede. De behandeling van alle zaken zal voor onbepaalde tijd worden aangehouden.
de advocaat-generaalschorst hierop het onderzoek voor
onbepaalde tijd;
de verdachten en hun raadsliedenvoor de nadere terechtzitting;’
NJ2014/441 m .nt. Borgers heeft Uw Raad onder meer overwogen:
Verdedigingsbelang
naar aanleiding waarvan zij, verdachte, en/of haar mededader, de erven van [betrokkene 95] , hebben getracht te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag,
1.
2.
meteen staan in de rechtbank Den Haag. 100 % zeker. Zijn vrouw zat er, zijn dochter en zijn zoon zaten achterin. [betrokkene 49] zat voorin en zijn vrouw zat ernaast, ze zaten voorin. Ik heb [betrokkene 49] toen 100% herkend van de ontmoeting in het hotel. Ik hoor de officier van justitie opmerken dat ik aanwezig hen geweest bij een van de pro-forma's in deze zaak, en dat ik in één van de pauzes naar u ben toegekomen en daarom weet u dat ik [betrokkene 49] heb herkend.
3.
4.
5.
6.
7.
8.Een geschrift, zijnde een vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 26 mei 2010, met rolnummer 338914/HA ZA 09-2627 in de zaak van [betrokkene 93] tegen de erven van [betrokkene 95] . Dit vonnis houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
- dagvaarding 14 juli 2009;
- (...)
- de stukken van het op 1 juli 2009 ten verzoeke van eiser en ten laste van gedaagden gelegde conservatoire beslag op de woning aan de [ao-straat 1] te Rotterdam.
- 4. De Beoordeling
9.
10.
11.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2012 van de politie Haaglanden gecodeerd als AH/664/001 en verder. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
. Deze gesprekken waren op een DVD gebrand en bestond uit drie bestanden, weergegeven met de namen nummer 1, 2 en 3.
12.Geschriften, zijnde een tweetal uitgewerkte telefoongesprekken, gevoegd als bijlage bij het onder bewijsmiddel 11 genoemde proces-verbaal. Deze geschriften houden onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
13.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2012 van de politie Haaglanden, gecodeerd als AH/663/001 en verder. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
14.
15.Een proces-verbaal stemherkenning [verdachte] d.d. 14 januari 2019 van de politie Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:
herkende)
[verbalisant 2] zowel de stem van [betrokkene 46] als ook de stem van [betrokkene 49] . Tevens werd in de telefoongesprekken de stem van [verdachte] , de dochter van [betrokkene 49] herkend. In een van de gesprekken deed voornoemde [verdachte] zich voor als de zus van [betrokkene 93]."
16.
."
derdemiddel klaagt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de processen-verbaal van stemherkenning die de verbalisanten die bij het onderzoek betrokken waren hebben opgemaakt terwijl daarmee is afgeweken van een namens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder in het bijzonder de redenen op te geven die het hof tot die afwijzing hebben gebracht. De steller van het middel wijst daarbij in de toelichting op hetgeen de raadsman blijkens zijn pleitnota op de terechtzitting van 18 februari 2019 onder de randnummers 6-13, 17 en 18 heeft aangevoerd. Geklaagd wordt dat het hof niet is ingegaan op ‘de bijzondere deskundigheid van de verbalisanten op het gebied van stemherkenning’ dan wel op ‘de overbodigheid van dergelijke deskundigheid bij het bereiken van betrouwbare herkenningen’. En de steller van het middel klaagt dat het hof ook niet is ingegaan op ‘het ontbreken van duidelijkheid over de specifieke eigenschappen van de stem’ van de verdachte dan wel ‘het belang om vast te kunnen stellen dat de vergelijking niet heeft plaatsgevonden met de stem die getapt is in gesprekken met geheimhouders die ten onrechte niet vernietigd waren’. En het hof zou ten onrechte, zo begrijp ik, niets hebben overwogen ‘over de eisen die aan de kwaliteit van stemherkenningen moeten worden gesteld wanneer ieder steunbewijs ontbreekt’.
Na hervatting deelt de voorzitter mee dat de rechtbank constateert dat de geluidopnamen van slechte kwaliteit zijn en dat de rechtbank ten aanzien van verdachte weinig vergelijkingsmateriaal heeft, aangezien verdachte summier het woord heeft gevoerd tijdens de terechtzittingen. De rechtbank heeft echter zonder meer enige gelijkenis gehoord tussen de stem van verdachte en de stem van de vrouw op de beluisterde opnames.”Kortom, de stem te horen op de DVD, welke stem blijkens het proces-verbaal van politie wordt toegeschreven aan cliënte, kent slechts een geringe mate, een zwakke mate, van overeenkomst;
enige gelijkenis.
"Tijdens dit verhoor hebben wij, verbalisanten, de verdachte een aantal geluidsfragmenten laten horen. Ik, verbalisant [verbalisant 5], hoorde toen dat de stem, te horen op de geluidsfragmenten, de stem van de verdachte [verdachte] was."Zonder enige nadere toelichting over hoe en waarom verbalisant in 2012 zo zeker was dat de stem op de geluidsfragmenten de stem van cliënte betrof, stelt verbalisant nu in 2019 kennelijk zonder enig nader onderzoek en wederom zonder enige nadere toelichting dat hij in 2012 de stem van cliënte gehoord zou hebben op de geluidsfragmenten. Bedoelde geluidsfragmenten betreffen het door [betrokkene 46] aangeleverde materiaal. Daarbij is geen bevestiging van de andere bij het verhoor aanwezige verbalisant [verbalisant 6], een beoordeling door [verbalisant 6] zelf, voor handen. Waaraan, aan welke specifieke kenmerken, verbalisant [verbalisant 5] de stem zou herkennen blijft een raadsel. Dit proces-verbaal kan, mede gezien de overweging van de rechtbank aan de aan stemherkenning te stellen eisen waarover later meer, niet worden gebruikt als bewijsmiddel.
Het Openbaar Ministerie verzocht mij begin januari 2019 kennis te nemen van het proces-verbaal MD-286, waarin de verbalisant [verbalisant 6] schrijft dat: "Bij het beluisteren van de telefoongesprekken [verbalisant 2] zowel de stem van [betrokkene 46] als ook de stem van [betrokkene 49] . Tevens werd in de telefoongesprekken de stem van [verdachte] herkend. In een van de gesprekken deed voornoemde [verdachte] zich voor als de zus van [betrokkene 93]."Voormeld citaat is door verbalisant niet helemaal correct overgenomen uit het bedoelde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 6]. Hoe dan ook stelt [verbalisant 6] zelf niet dat hijzelf de stem van [verdachte] zou hebben herkend.
Een verbalisant heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2012 slechts vermeld "De stem van [verdachte] werd door mij ambtshalve herkend." De Officier van Justitie heeft ter terechtzitting nog aangevuld dat de verbalisant betrokken is geweest bij het uitluisteren van de telefoontaps van verdachte, zodat hij haar meerdere malen heeft horen spreken over de telefoon en derhalve een dergelijk stemherkenning heeft kunnen doen. Dat moge zo zijn maar dat laat onverlet dat hij nauwkeuriger had moeten omschrijven op welke grond van welke kenmerkende eigenschappen van de stem van verdachte hij tot die stemherkenning is gekomen.”18. Zwak bewijs wordt niet sterker door de aanwezigheid van ander (even zwak) bewijs, de aanvullende processen-verbaal van [verbalisant 2] en [verbalisant 5], waarin met geen woord wordt gerept over vorenbedoelde kenmerkende eigenschappen. Enig ander (krachtig) steunbewijs ontbreekt. Slechts vrijspraak kan volgen. Volledigheidshalve verwijs ik in deze nog naar een in eerste aanleg door de verdediging overgelegd wetenschappelijk artikel waar wordt ingegaan op de betrouwbaarheid en bewijswaarde van bewijsmiddelen zoals in onderhavige zaak aan de orde; het artikel Bewijs waarderen; Hoe doen strafrechters dat (NJB 21-11-2014 afl. 40 door Lonneke Stevens; hoofddocent UvA).
’
vierdemiddel klaagt dat het hof redengevende feiten en omstandigheden aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd terwijl de bewijsmiddelen waaraan het deze feiten en omstandigheden heeft ontleend geen onderdeel uitmaken van het procesdossier in de zaak tegen de verdachte. Uit de toelichting op het middel volgt dat deze klacht ziet op ’s hofs overweging dat uit de verklaringen van twee getuigen blijkt dat de verdachte werkzaam was op het makelaarskantoor van haar vader dat formeel op naam van haar broer stond. Deze overweging zou zien op de vertrouwensband tussen de verdachte en haar vader [betrokkene 49] , tevens medeverdachte, en daarmee ‘van dragend belang (zijn) voor de nauwheid en bewustheid van de samenwerking tussen hen’. De getuigen waarom het hier gaat zijn volgens de steller van het middel echter niet gehoord in de zaak tegen de verdachte. En de opmerking van de voorzitter ter terechtzitting in hoger beroep dat in de getuigenverhoren uit de zaken tegen de medeverdachten die in het dossier van de verdachte zijn gevoegd niets is opgemerkt dat betrekking heeft op het aan de verdachte tenlastegelegde feit, zou niet anders kunnen worden uitgelegd dan als een expliciete toezegging dat deze verklaringen niet ten laste van de verdachte voor het bewijs zullen worden gebruikt. Voorts zou hetgeen het hof uit die verklaringen afleidt niet in die verklaringen zijn terug te vinden; geen van beide getuigen zou hebben verklaard dat het makelaarskantoor formeel op naam van de broer van de verdachte stond maar in werkelijkheid van haar vader was.
vijfdemiddel klaagt dat het hof bewezen heeft verklaard dat sprake is van medeplegen terwijl het dit oordeel niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Blijkens de toelichting ziet deze klacht in het bijzonder op de onderbouwing van het oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte op de hoogte was van de valsheid van de vordering. Daarnaast zou het hof ontoereikend hebben beargumenteerd waarom sprake is van medeplegen en niet van medeplichtigheid.
zesdemiddel klaagt dat het hof de aan de verdachte opgelegde deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf ontoereikend heeft gemotiveerd. Deze straf zou zowel naar soort als in duur verbazing wekken, met name in het licht van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Voorts zou het hof zijn afgeweken van een namens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder in het bijzonder redenen op te geven die de afwijking dragen.
NJ2008/358 m .nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer overwogen:
zevendemiddel klaagt dat inbreuk is gemaakt op het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, doordat in de cassatiefase de inzendingstermijn is geschonden.