ECLI:NL:HR:2021:440
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toerekening van vermogen van Liechtensteinse stichting aan erfgenamen voor inkomstenbelasting
De zaak betreft de toerekening van het vermogen van een in Liechtenstein opgerichte stichting (Stiftung) aan de erfgenamen van de oprichter voor de Nederlandse inkomstenbelasting over het jaar 2013. De stichting houdt aandelen in meerdere Nederlandse vennootschappen en bezit een beleggingsportefeuille die in Nederland wordt beheerd. De Inspecteur heeft 25 procent van het vermogen van de Stiftung toegerekend aan belanghebbende, een erfgenaam.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de Stiftung een afgezonderd particulier vermogen is zoals bedoeld in artikel 2.14a Wet IB 2001 en dat de toerekening aan de erfgenamen terecht is. Het Hof verwierp ook het beroep op strijd met de EU-verkeersvrijheden en het EVRM, omdat de regeling voldoende gerechtvaardigd is en geen buitensporige last oplevert.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. De Hoge Raad verwijst naar een gelijkluidend arrest in een vergelijkbare zaak en ziet geen aanleiding om het oordeel van het Hof te wijzigen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de toerekening van 25% van het vermogen van de stichting aan belanghebbende wordt bevestigd.