ECLI:NL:HR:2021:451
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toerekening van Liechtensteinse Stiftung aan erfgenamen volgens artikel 2.14a Wet IB 2001
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het oordeel van het Gerechtshof Den Haag dat voor het jaar 2013 25 procent van het vermogen van een in Liechtenstein gevestigde Stiftung aan haar mocht worden toegerekend als afgezond particulier vermogen (APV) op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001.
De Stichting was opgericht door haar overleden echtgenoot en beheerde aandelen in Nederlandse vennootschappen en een beleggingsportefeuille. Het Hof oordeelde dat de Stichting een APV is, omdat het vermogen was afgezonderd met een overwegend particulier belang en de Stiftungsrat de uitkeringen bepaalt. Belanghebbende was begunstigde en erfgenaam, zodat het vermogen aan haar kon worden toegerekend.
Het Hof verwierp ook het betoog dat artikel 2.14a Wet IB 2001 in strijd zou zijn met EU-verkeersvrijheden of het EVRM, omdat de regeling een gerechtvaardigd doel dient en geen buitensporige last oplegt.
De Hoge Raad volgde het oordeel van het Hof en verwierp de middelen, mede verwijzend naar een parallel arrest. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de toerekening van 25% van het vermogen van de Stiftung aan belanghebbende volgens artikel 2.14a Wet IB 2001.