Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
30 maart 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte heeft de Hoge Raad op 30 maart 2021 arrest gewezen over het beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 maart 2019. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de toepassing van vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet tot vernietiging konden leiden, behalve voor de strafoplegging en de vervangende hechtenis. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf met drie jaren.
Verder werd geoordeeld dat de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregelen niet correct was en dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging en vervangende hechtenis betrof, verminderde de gevangenisstraf tot twee jaren en acht maanden, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaren en acht maanden en gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast in plaats van vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregelen.